Voor opa Adé, oma Bats en de eerste generatie
Sommige dagen zijn meer dan een datum op de kalender.
Ze voelen als een brug tussen verleden en heden. Een moment waarop de geschiedenis, die je normaal gesproken alleen kent uit verhalen, foto’s en herinneringen, ineens tastbaar wordt. Zondag 21 juni 2026 was zo’n dag.
Samen met mijn tante Julia, de jongste zus van mijn moeder, stond ik aan de Lloydkade in Rotterdam. Op dezelfde plek waar duizenden Molukse KNIL-militairen en hun gezinnen in 1951 voet aan wal zetten. Onder hen mijn opa Adé Pascoal, mijn oma Bathseba Pascoal-Lisapaly, mijn moeder Farida Pascoal, mijn oom Jan Pascoal en mijn tante Josefien Pascoal.
Op 27 maart 1951 vertrokken zij vanuit Tandjung Priok aan boord van de Castelbianco. Een maand later, op 24 april 1951, arriveerden zij in Rotterdam.
Voor mijn moeder, oom en tante was het een reis als kind.
Voor mijn opa en oma was het een afscheid van alles wat vertrouwd was.
Hun land.
Hun familie.
Hun toekomst zoals zij die voor zich hadden gezien.
Het was geen emigratie uit vrije wil. Het was een vertrek op dienstbevel. Een beslissing genomen door anderen, met gevolgen die generaties later nog altijd voelbaar zijn. En juist daarom voelde het bijzonder om daar samen met tante Julia te staan. Niet alleen als familie. Maar ook als vertegenwoordigers van de tweede en derde generatie.
Voor de mensen die ons voorgingen.
Voor degenen die deze dag nooit meer zouden meemaken.
De bijeenkomst begon met toespraken. Er werd gesproken over erkenning, verantwoordelijkheid en de geschiedenis van de Molukse gemeenschap in Nederland. Woorden die eigenlijk al veel eerder uitgesproken hadden moeten worden.
Want laten we eerlijk zijn.
De excuses komen laat.
Veel te laat.
Mijn opa en oma kunnen ze niet meer horen.
Net als zoveel mannen en vrouwen van die eerste generatie.
Maar soms is erkenning, hoe laat ook, beter dan blijvende stilte.
Na de excuses van burgemeester Paul Depla aan de Bredase KNIL-families in 2024, na het bezoek aan Bronbeek, na de erkenning en de medailles voor mijn opa, zijn er inmiddels stappen gezet die jarenlang onmogelijk leken.

Kleine stappen misschien.
Maar wel stappen vooruit.
En toen kwam het moment waarvoor we waren gekomen.
De inzegening van Ulu Kora.
Terwijl ik naar het monument keek, dacht ik aan de betekenis van die naam. Ulu Kora verwijst naar de boeg van een traditionele Molukse kora-kora. Het deel van het schip dat als eerste het onbekende tegemoet gaat. Het deel dat koers houdt, ook wanneer de bestemming nog niet zichtbaar is. Dat beeld raakte me. Want ineens zag ik niet alleen een monument.

Ik zag de Rotterdam van de Holland-Amerikalijn vertrekken
Ik zag de Castelbianco uit Tandjung Priok aankomen.
Ik zag mijn opa en oma, mijn moeder, oom en tante staan.
Ik zag een schip dat langzaam de haven van Rotterdam binnenvoer.
Een schip vol mensen die hun leven achter zich hadden gelaten.
Mensen die niet wisten wat hen te wachten stond.
Mensen die hun plicht hadden gedaan en vervolgens terechtkwamen in een land dat niet altijd wist hoe het met hen om moest gaan.
Vijfenzeventig jaar later staat daar nu Ulu Kora.
Niet als een monument van verdriet.
Maar als een monument van herinnering.
Van waardigheid.
Van respect.
Een eerbetoon aan de eerste generatie die de offers bracht waar latere generaties op konden voortbouwen.
Terwijl de ceremonie verderging, keek ik om me heen. Ik zag ouderen die het zelf hadden meegemaakt. Kinderen die de verhalen alleen nog kennen van hun ouders en grootouders. Kleinkinderen en achterkleinkinderen die proberen te begrijpen waarom deze geschiedenis nog altijd zoveel emoties oproept. En ineens besefte ik dat dit monument niet alleen voor het verleden is gebouwd.
Het is gebouwd voor de toekomst.
Voor de vierde generatie.
Voor de vijfde generatie.
Voor alle kinderen die later zullen vragen wie die mensen waren die in 1951 aankwamen.
Voor alle families die hun verhalen blijven vertellen.
Voor alle namen die niet vergeten mogen worden.
Namen zoals Adé Pascoal.
Namen zoals Bathseba Pascoal-Lisapaly.
Mensen die hun leven niet hebben doorgebracht met wachten op excuses, maar met het opbouwen van een bestaan voor hun kinderen en kleinkinderen.
Toen de ceremonie voorbij was, bleef vooral één gevoel hangen.
Dankbaarheid.
Dankbaarheid dat ik erbij mocht zijn.
Dankbaarheid dat tante Julia erbij was.
Dankbaarheid dat er eindelijk een plek is waar de eerste generatie zichtbaar wordt geëerd.
Maar ook dankbaarheid dat mijn moeder, die ook met de Castelbianco
Niet omdat een monument alles goedmaakt.
Dat kan het niet.
Maar omdat respect uiteindelijk toch zijn weg heeft gevonden.
Misschien jaren te laat.
Misschien zelfs decennia te laat.
Maar het is gekomen.

En daarom ben ik blij dat we er waren.
Voor opa Adé en oma Bats.
Voor de eerste generatie.
Voor de Molukse gemeenschap.
En voor iedereen die na hen kwam.
Want daar, aan de Lloydkade, stond niet alleen een monument.
Daar stond een stukje van onze geschiedenis.
En eindelijk zei het hardop wat zoveel families al generaties lang wisten:
Jullie zijn niet vergeten.
