De conciërge

Nabrander – De conciërge

Sommige mensen verdwijnen uit je leven zonder dat je ooit afscheid van ze neemt.

Je kent hun achternaam niet meer. Je weet niet meer waar ze zijn gebleven. Misschien leven ze nog. Misschien niet. Maar ergens blijven ze rondlopen in je hoofd. Zo iemand was de conciërge van De Sprankel. Of hij werkelijk conciërge was, weet ik niet eens zeker. Misschien was hij onderwijsassistent. Misschien een toezichthouder. Misschien iemand die gewoon altijd aanwezig was als het nodig was. Maar in mijn herinnering was hij de conciërge.

Mijn lagere schooltijd was niet de makkelijkste periode uit mijn leven. Ik was een driftige jongen. Niet omdat ik zo graag ruzie maakte, maar omdat ik vaak niet wist wat ik met alle spanning moest doen die ik met me meedroeg. Thuis was het ingewikkeld. Mijn moeder was veel weg vanwege het bowlen. Mijn vader was thuis vaak de bron van spanning waar ik voortdurend rekening mee hield. Op school voelde ik me regelmatig een buitenstaander. Zeker in de jaren van de treinkapingen.

Ik was een Molukse jongen in een overwegend witte omgeving. Kinderen begrijpen politieke conflicten niet, maar ze nemen wel de woorden van hun ouders over. Sommige kinderen mochten niet meer met mij spelen. Anderen vonden ineens iets van mijn afkomst. Ik begreep het niet altijd, maar ik voelde het wel. En soms liep dat over.

Dan stond ik weer eens op het schoolplein. Driftig. Woedend. Molenwiekend met mijn armen. Niet omdat ik wilde winnen, maar omdat ik niet wist hoe ik anders moest reageren. En dan verscheen hij. Geen grote preek. Geen straf. Geen verwijten. Gewoon een hand op mijn schouder. “Kom maar mee.”

Dan liep ik met hem naar dat kleine kamertje tegenover het kantoor van meneer Geurts. Een ruimte waar ik vaker kwam dan mij lief was. Daar zat ik dan. Boos. Verdrietig. Beschaamd. Soms met een geschaafde knie. Soms met tranen. En langzaam zakte de storm weer weg. Hij zei nooit veel. Dat hoefde ook niet. Misschien is dat wat ik me het meest herinner. Hij probeerde me niet te veranderen. Hij probeerde me niet uit te leggen waarom ik fout zat. Hij gaf me gewoon de ruimte om weer mezelf te worden.

Als ik gevallen was, had hij een pleister. Als ik driftig was geweest, had hij geduld. Als ik verdrietig was, had hij rust.
Meer niet.
En toch was dat genoeg.

Nu ik ouder ben, denk ik daar soms aan terug. Niet aan de leraren die hoge cijfers gaven. Niet aan de lessen die ik allang vergeten ben. Maar aan die man die op de achtergrond aanwezig was op momenten dat ik hem nodig had. Waarschijnlijk heeft hij nooit geweten hoeveel verschil hij maakte voor een jongen die vaak het gevoel had nergens echt bij te horen.

Sommige mensen zijn geen helden. Ze redden niemand uit een brandend huis. Ze winnen geen prijzen. Hun naam komt nergens op een plaquette.

Maar soms zijn het juist die mensen die op het juiste moment een veilige haven vormen.
Voor mij was hij zo iemand.
De conciërge.
Of hoe hij ook werkelijk heette.