Nabrander: Mijn veilige haven

Soms besef je pas jaren later wie de belangrijkste mensen in je leven zijn geweest. Niet op het moment zelf, want als kind neem je veel dingen als vanzelfsprekend aan. Je gaat ervan uit dat iemand er altijd zal zijn. Dat een deur altijd openstaat. Dat een kop koffie, een luisterend oor of een vriendelijke glimlach gewoon bij het leven hoort.

Voor mij was mijn oma Lotte zo iemand.

Als kind kende ik haar niet als de vrouw die oorlogen had overleefd, kampen had meegemaakt of haar leven meerdere keren opnieuw had moeten opbouwen. Ik kende haar als mijn oma. De vrouw bij wie ik altijd welkom was. De vrouw die belangstelling had voor wat ik vertelde, ook als het nergens over ging. De vrouw die rust uitstraalde op een manier die ik toen niet kon verklaren.

Pas veel later begon ik haar verhalen echt te lezen.

De laatste tijd ben ik door de herinneringen gegaan die zij zelf heeft opgeschreven. Verhalen over Djokjakarta, Klaten, Bandung en Rambipuji. Verhalen over de Japanse bezetting, de Bersiap en de kampen waarin zij met haar kinderen terechtkwam. Over een echtgenoot die jarenlang afwezig was. Over onzekerheid, angst en het verlies van alles wat ooit vertrouwd was.

Ik las over een jonge vrouw die zich staande moest houden terwijl de wereld om haar heen uit elkaar viel. Een vrouw die niet wist of haar man nog leefde. Die haar kinderen moest beschermen in een tijd waarin niemand zekerheid had over de volgende dag. Die van kamp naar kamp trok, steeds weer op zoek naar veiligheid. En die uiteindelijk met haar gezin aan boord stapte van de Groote Beer, het schip dat haar in maart 1958 naar Nederland bracht. Voor de buitenwereld was het een overtocht. Voor haar betekende het het afscheid van een leven dat nooit meer zou terugkeren.

Soms kijk ik naar een foto van de Groote Beer. Voor mij is het een oud schip uit een ver verleden. Voor mijn oma was het veel meer dan dat. Het was de brug tussen twee werelden. Aan de ene kant lag het land waar zij was geboren, getrouwd, moeder was geworden en oorlog had meegemaakt. Aan de andere kant lag een onbekend Nederland waar opnieuw begonnen moest worden.

En toch…

Wanneer ik aan haar denk, zie ik niet die oorlogsjaren voor me. Ik zie niet de kampen of de lange reis naar Nederland. Ik zie de oma die ik kende. De oma van de Topaasstraat.

De vrouw die altijd iets lekkers in huis had. De vrouw die nooit de behoefte voelde om zichzelf op de voorgrond te zetten. Die niet voortdurend sprak over wat haar was overkomen, maar vooral geïnteresseerd was in wat er met anderen gebeurde. Achteraf denk ik dat juist daarin haar kracht zat. Ze droeg haar verleden met zich mee zonder het voortdurend mee te slepen.

Maar achter die vriendelijke glimlach zat ook een vrouw van staal.

Toen mijn opa Otto ziek werd en lange tijd in De Klokkenberg verbleef, nam zij de regie. In een tijd waarin vrouwen zelden serieus werden genomen door banken en instanties, wist zij een hypotheek te regelen voor een huis aan de Topaasstraat. Een huis dat veel meer zou worden dan een adres. Ze overtuigde mensen. Ze zette door. Ze kreeg dingen voor elkaar die voor veel vrouwen van haar generatie onmogelijk leken. Niet door hard te schreeuwen of met haar vuist op tafel te slaan, maar door vastberadenheid, overtuigingskracht en een onverwoestbaar geloof dat er altijd een oplossing moest zijn.

Er is nog iets wat ik pas later echt ben gaan beseffen. De Topaasstraat was niet zomaar het huis van mijn oma. Het was het hart van onze familie. Daar kwamen de Israëls samen. Daar werden verjaardagen gevierd, herinneringen opgehaald en familiebanden onderhouden. Voor veel van ons was het de plek waar je vanzelf naartoe ging. Niet omdat het moest, maar omdat het zo hoorde.

Zoals ik eerder schreef in mijn verhaal over veilige plekken: de Topaasstraat was voor mij één van de veiligste plekken die ik kende. Maar het was meer dan dat. Het was de plek waar onze familie samenkwam onder de hoede van onze oma, die voor velen niet alleen een moeder of oma was, maar ook de verbindende kracht binnen de familie. (lees hier mijn verhaal over de Topaasstraat)

Als ik terugdenk aan die tijd, zie ik niet alleen een huis. Ik zie een thuis. Een plek waar altijd ruimte was voor familie. Waar altijd een stoel werd bijgeschoven. Waar altijd koffie was. Waar altijd belangstelling was voor elkaar.

Misschien was dat wel haar grootste talent. Niet alleen zorgen voor haar eigen gezin, maar ervoor zorgen dat een familie een familie bleef.

Als ik haar levensverhaal lees, verbaast het mij hoe weinig bitterheid erin te vinden is. Natuurlijk beschrijft ze de moeilijke jaren. De angst. Het onrecht. Het verlies. Maar nergens proef ik wrok. Nergens lees ik dat de wereld haar iets verschuldigd was. Ze beschrijft wat er gebeurde en vervolgens ging ze verder.

Dat zie je vaker bij mensen van haar generatie. Ze hadden geen tijd om jarenlang stil te staan bij wat hen was overkomen. Er moesten kinderen worden grootgebracht. Er moest brood op de plank komen. Er moest een nieuw bestaan worden opgebouwd in een land dat hen niet altijd met open armen ontving.

En haar moeilijke jaren eindigden niet toen zij voet aan wal zette in Nederland.

Ook hier kreeg het leven haar nog meerdere keren hard te pakken. In 1966 verloor zij mijn opa Otto, met wie zij oorlog, scheiding, hereniging en emigratie had doorstaan. Een verlies dat diepe sporen moet hebben achtergelaten.

Maar het bleef niet daarbij.

Tien jaar later verloor de familie ook mijn nichtje Renée. Ze was pas vijftien jaar oud toen ze op weg naar school werd aangereden door een auto. Mijn oma schreef er slechts enkele regels over. Zoals zo vaak beschreef zij vooral de feiten. Toch voel je tussen die regels het verdriet van een oma die opnieuw afscheid moest nemen van iemand die haar dierbaar was. Ze schreef over een lieve dochter voor haar moeder, een lieve kleindochter voor zichzelf en een lieve zus voor haar broers en haar zusje.

En alsof het leven haar opnieuw op de proef wilde stellen, moest zij in 2006 ook afscheid nemen van haar oudste zoon Carel.

Verliezen die je niet achterlaat op een bepaalde dag, maar die je met je meedraagt zolang je leeft. Littekens die misschien vervagen, maar nooit helemaal verdwijnen.

Misschien begrijp ik daarom nu beter wat ik als jongen voelde wanneer ik bij haar binnenstapte. De rust die zij uitstraalde kwam niet voort uit een zorgeloos leven. Integendeel. Zij wist als geen ander hoe kwetsbaar geluk kon zijn. Hoe snel mensen uit je leven kunnen verdwijnen. Misschien maakte dat haar juist zo mild, zo geduldig en zo aanwezig voor de mensen die zij liefhad.

Juist daardoor kijk ik nu anders naar haar dan vroeger.

Als kind zag ik een lieve oma.

Als volwassene zie ik een vrouw met een ongelooflijke veerkracht. Een vrouw die oorlog, revolutie, emigratie, armoede, ziekte en verlies heeft meegemaakt en toch in staat bleef om warmte uit te stralen naar de mensen om haar heen. Misschien was dat wel haar grootste prestatie. Niet het overleven van al die gebeurtenissen, maar het feit dat ze haar zachtheid onderweg niet kwijt is geraakt.

Wanneer ik tegenwoordig door haar verhalen blader, begrijp ik steeds beter waarom ik mij als jongen zo prettig voelde in haar buurt. Die rust kwam niet zomaar ergens vandaan. Die was verdiend. Die was gevormd door een leven waarin zij meer had meegemaakt dan de meesten van ons ooit zullen meemaken.

Er bestaat een oud liedje waarin wordt gezongen dat opa de beste opa van de hele wereld is.
Als ik aan mijn opa Adé denk, begrijp ik dat gevoel heel goed.
Maar als ik terugdenk aan mijn oma Lotte, dan denk ik iets anders.
Naast mijn sterke opa Adé was er ook mijn oma Lotte.

Een vrouw die een oorlog overleefde. Die haar gezin door de Bersiap loodste. Die afscheid nam van haar geboorteland. Die begon opnieuw in een vreemd Nederland. Die een huis wist te kopen toen bijna niemand dacht dat dat mogelijk was. Die haar man verloor. Haar kleindochter verloor. Haar oudste zoon verloor. En toch overeind bleef.

En zoals zij was, was er geen één.
Niet in Breda.
Niet in Nederland.
Niet in Indonesië.
Niet in de hele wereld.

Sommige mensen laten een erfenis achter in geld, huizen of bezittingen.
Mijn oma liet iets anders achter.
Ze liet een familie achter.
Ze liet een thuis achter.
En voor mij zal ze altijd de veilige haven blijven waarnaar ik, zelfs na al die jaren, in gedachten nog regelmatig terugkeer.