Soms vragen mensen mij hoe ik ben als trainer. Het antwoord is eigenlijk heel eenvoudig. Ik ben een opleider.
Of het nu op de bowlingbaan is of op het voetbalveld, de kern blijft voor mij hetzelfde. Het gaat niet om het toeval van een strike of een doelpunt. Het gaat om hoe iemand beweegt, kijkt en leert. In het bowlen kijk ik naar de approach, de balzwaai en de release. Hoe loopt iemand aan, hoe beweegt het lichaam en wat gebeurt er op het moment dat de bal loskomt. Op het voetbalveld kijk ik naar andere dingen, maar het principe is hetzelfde. Looplijnen, ruimtes zien, het moment herkennen waarop je zelf gaat of juist de bal terug of breed speelt.

Ontwikkeling begint altijd met bewustwording. We maken een plan. We voeren het uit. Daarna kijken we wat beter kan. Niet met een kusje erop en door. Als je beter wilt worden, moet je ook eerlijk durven kijken naar wat nog niet goed gaat.
De spelers die uiteindelijk het verst komen hebben bijna altijd één ding gemeen: intrinsieke motivatie. Dat zijn de spelers die overal een bal oppakken. Die willen trainen, willen proberen en willen begrijpen wat ze doen. Niet omdat iemand langs de lijn dat roept, maar omdat ze het zelf willen.
En daar zit voor mij ook het echte plezier. Niet in het toeval van een strike of een doelpunt. Het plezier zit in dat moment waarop iets ineens klopt. Een bal die zuiver van de hand komt en precies de lijn loopt die je bedoeld had. Of een pass die perfect aankomt waardoor een aanval ontstaat. Dan zie je dat iemand iets geleerd heeft. Dat moment is goud waard.
Maar ontwikkeling vraagt niet alleen iets van spelers en trainers. Het vraagt ook iets van de omgeving. Zeker van ouders. Betrokkenheid is prachtig. Maar soms is afstand nog belangrijker.
Ik probeer daarin zelf het voorbeeld te geven bij mijn zoon David. Langs de lijn roep ik hooguit één ding: “Lekker David.” Verder niets. Nou ja, toch nog één ding. Ik probeer ondertussen ook gewoon te genieten en af en toe een paar mooie foto’s te maken. Maar geen aanwijzingen. Geen coaching. Daar heeft hij zijn trainers en coaches voor.
Als hij van het veld komt, sta ik er wel. Dan luister ik. Soms een knuffel, soms een verhaal. Maar geen analyse.
Want op dat moment ben ik niet zijn trainer.
Ik ben zijn vader.
