Vandaag is het 15 augustus.
Zoals zoveel jaren hiervoor kijk ik ook vandaag weer naar de herdenking van het einde van de Tweede Wereldoorlog in het toenmalige Nederlands-Indië. Naar de toespraken, de verhalen en de kransen die worden gelegd voor de mensen die de Japanse bezetting hebben meegemaakt en voor hen die nooit meer thuiskwamen.

Het is iets wat ik eigenlijk ieder jaar doe.
Tijdens de uitzending krijg ik via WhatsApp een berichtje van mijn tante Julia.
“Kyk je nu op ned 1”
Natuurlijk kijk ik.

Ik kijk bijna ieder jaar naar deze herdenking. Maar hoe ouder ik word en hoe meer ik over mijn eigen familiegeschiedenis te weten kom, hoe anders ik naar die beelden ben gaan kijken.
Een paar minuten later stuur ik haar een heel kort bericht “Kippenvelliedje”.
Marlon Pichel zingt, samen met het Orkest Koninklijke Luchtmacht, Aku Jatuh Cinta.
En om een reden die ik op dat moment niet eens helemaal kan uitleggen, krijg ik kippenvel.
‘Di dalam hati ini sayang, hanya namamu’ — ‘Hier diep in mijn hart, liefste, is alleen jouw naam.’
Later lees ik waarom juist hij dit lied zong. Marlon komt uit een muzikale Indische familie en groeide op met krontjong en Hawaiianmuziek. Aku Jatuh Cinta zong hij samen met zijn vader en opa. Voor hem zit in die muziek het gevoel van kumpulans, familiefeesten en pasars. Van samenzijn en saamhorigheid. En daar zit ineens ook een prachtige overeenkomst met mijn eigen familie.
Ook bij ons speelde die Hawaiianmuziek een rol. Mijn opa Adé speelde Hawaiiaanse gitaar en had zijn eigen Hawaiiaanse band. Eind jaren vijftig of begin jaren zestig werd daar zelfs over geschreven in de PZC, waarin hij als een bijzondere Hawaiiaanse gitarist werd neergezet. Die muziek hoort dus ook bij ónze familiegeschiedenis. Bij de generatie van mijn grootouders en bij een wereld die zij vanuit de Oost meenamen naar Nederland.

Misschien was dat wel precies waarom het optreden mij zo raakte. Zonder dat ik het op dat moment allemaal zo had beredeneerd, hoorde ik iets wat ook bij mijn eigen geschiedenis hoorde. Ik zat naar de herdenking van 15 augustus te kijken, appte ondertussen met de dochter van Opa Adé en Oma Bats en luisterde naar een kleinzoon die door muziek verbonden is met zijn vader en opa.
En ineens waren mijn eigen grootouders heel dichtbij.
Mijn opa Otto en Oma Lotte op Java.
Mijn opa Adé en Oma Bats op Ambon.
Vier mensen van wie ik afstam.
En ik begon mij af te vragen waar zij eigenlijk waren op die 15e augustus van 1945.
Wat deden ze toen ze hoorden dat Japan had gecapituleerd? Wat dachten ze? Durfden ze blij te zijn? Voelden ze zich bevrijd?
Ik kan het ze niet meer vragen.
Ik weet natuurlijk ook niet precies wat zij die dag hebben gedacht, gezegd of gedaan. Niemand heeft naast hen gestaan om ieder moment vast te leggen. Wat ik wel weet, zijn de omstandigheden waarin zij verkeerden. Oma Lotte heeft daarover geschreven en veel van de historische gebeurtenissen rondom die dagen zijn bekend.
De rest probeer ik mij voor te stellen.
En zo brengt één WhatsApp-berichtje van mijn tante en één lied tijdens de herdenking mij vandaag ruim tachtig jaar terug.
Naar 15 augustus 1945.
Djokja, 15 augustus 1945
Mijn Oma Lotte loopt over de pasar in Djokjakarta. Ze is 33 jaar oud en moeder van drie kinderen. Mijn opa Otto heeft ze al jaren niet gezien. Hij was als KNIL-reservist opgeroepen, krijgsgevangen gemaakt en van zijn gezin gescheiden. Of en wanneer ze hem ooit weer zal zien, weet ze niet.
De oorlog heeft haar geleerd niet te ver vooruit te kijken.
Eten regelen. Voor de kinderen zorgen. Morgen zien we wel weer.
Op de pasar komt een Javaanse bekende naar haar toe. Hij vertelt haar zachtjes dat de atoombom is gevallen.
Japan heeft verloren.
We zijn vrij.
Misschien staat ze even stil.
Misschien durft ze het nauwelijks te geloven.

Na jaren van Japanse bezetting zou dit het moment moeten zijn waarop alle spanning van haar schouders valt. Misschien denkt ze aan aan haar man Otto, mijn vader’s vader en mijn opa. Misschien aan haar kinderen. Misschien alleen maar aan de mogelijkheid dat er eindelijk weer een normaal leven kan beginnen.
Maar buiten die paar woorden is er nog weinig veranderd.
Er staan nog steeds Japanse militairen. Er zijn nog steeds wapens. Er is nog steeds onzekerheid.
En ondertussen verandert de stemming op Java razendsnel.
Twee dagen later, op 17 augustus, roepen Soekarno en Hatta de onafhankelijkheid van Indonesië uit. Voor veel Indonesiërs is dat het begin van iets waarop zij lang hebben gewacht. Voor Nederlandse, Indische en andere met Nederland verbonden families breekt juist een nieuwe periode van grote onzekerheid aan. De Bersiap.
Mijn Oma weet op die 15e augustus nog niet wat haar te wachten staat. Dat ze haar huis zal moeten verlaten. Dat ze met haar kinderen opnieuw zal moeten vluchten. Dat ze in een beschermingskamp terecht zal komen. Dat veiligheid opnieuw iets betrekkelijks wordt.
De oorlog is afgelopen.
Maar Oma Lotte is nog lang niet vrij.
En ergens anders is mijn opa Otto
Waar mijn opa Otto precies was op die 15e augustus kan ik niet met zekerheid zeggen.
Wel weet ik dat hij nog niet bij zijn gezin was.
Ik probeer mij voor te stellen hoe het nieuws hem heeft bereikt.
Misschien ging het als een gerucht van man tot man.
Japan heeft gecapituleerd.
Na jaren van gevangenschap zouden woorden als die bijna te groot moeten zijn geweest om onmiddellijk te bevatten.
Betekent dit dat ik naar huis kan?
Leven Lotte en de kinderen nog?
Waar zijn ze?
Misschien was dat wel het enige wat er voor hem werkelijk toe deed.
Niet wie de oorlog had gewonnen. Niet welke vlag ergens werd gehesen.
Zijn gezin.
Pas eind 1946 zouden mijn Opa Otto en Oma Lotte elkaar in Batavia weer terugzien.
Vier jaar van elkaar gescheiden.
Vier jaar waarin beiden niet wisten hoe hun verhaal zou eindigen.

Honderden kilometers verderop: Ambon
Op Ambon bevinden zich mijn andere grootouders.
Opa Adé en Oma Bats.
Ook daar is Japan verslagen.
Maar ook daar betekent 15 augustus niet dat er plotseling geallieerde soldaten door de straten lopen en iedereen naar buiten kan om feest te vieren. De Japanse militairen zijn er nog. Hun wapens zijn er nog. De krijgsgevangenen zijn er nog. De gevolgen van jarenlange bezetting zijn overal zichtbaar.
Ik probeer mij Opa Adé voor te stellen. De man die ik later zou kennen als mijn sterke Menadonese Opa (Aanvulling van Francesca Pascoal: met Sangireze roots via zijn moeder). Dezelfde man over wie jaren later in een Nederlandse krant zou worden geschreven vanwege zijn Hawaiiaanse gitaarspel.
Maar dat ligt op 15 augustus 1945 allemaal nog in een onbekende toekomst.
Misschien heeft ook hij het nieuws eerst als een gerucht gehoord.
Japan heeft zich overgegeven.
Zou hij Oma Bats hebben aangekeken?
Zouden ze elkaar hebben durven zeggen dat het voorbij was?
Of waren mensen na drieënhalf jaar bezetting inmiddels voorzichtig geworden met hoop?
Want ook op Ambon veranderde op die ene dag niet plotseling alles.
De Japanners verdwenen niet op 15 augustus. De geallieerden namen het eiland niet diezelfde middag over. Zelfs de krijgsgevangenen zaten niet ineens allemaal buiten de poorten.
De oorlog was officieel voorbij.
De werkelijkheid liep achter.
Misschien was dat wel het vreemde van die dag.
Je kon vrij zijn verklaard en toch nog niet vrij zijn.
Vier grootouders, dezelfde datum
Als ik tegenwoordig naar 15 augustus kijk, zie ik daarom geen simpele bevrijdingsdag.
Ik zie vier mensen.
Oma Lotte in Djokja, tussen haar kinderen, zonder te weten waar haar man is.
Opa Otto ergens anders in die enorme archipel, met waarschijnlijk maar één verlangen: terug naar zijn gezin.
Opa Adé op Ambon, na jaren Japanse bezetting, verzet en marteling.
Oma Bats naast hem, eveneens zonder te weten wat de volgende weken zouden brengen.
Ze kenden elkaar niet. Ze konden onmogelijk weten dat hun families jaren later met elkaar verbonden zouden raken.
Aan de ene kant zou een zoon van Otto en Lotte worden geboren: mijn vader Hermann.
Aan de andere kant zou een dochter van Adé en Bats opgroeien: mijn moeder Farida.
En nog veel later kwamen die twee werelden bij elkaar.
En kwam ik.
Misschien is dat ook waarom 15 augustus voor mij steeds meer betekenis krijgt.
Het is niet alleen geschiedenis.
Het is mijn geschiedenis.
Bevrijding is soms maar een woord
Wij kijken gemakkelijk terug op geschiedenis met de kennis van vandaag. We zetten een datum onder een gebeurtenis en daarmee lijkt alles overzichtelijk.
10 mei 1940.
5 mei 1945.
15 augustus 1945.
Alsof iemand om middernacht een bladzijde omsloeg en de volgende ochtend een nieuw hoofdstuk begon.
Maar zo werkt geschiedenis natuurlijk niet.
Voor mijn grootouders hield de oorlog niet op omdat ergens werd besloten dat hij voorbij was.
Oma Lotte moest haar kinderen nog veilig zien te houden tijdens de Bersiap.
Zij zou nog door kampen gaan voordat ze mijn Opa weer in haar armen kon sluiten.
Opa Otto moest nog naar zijn gezin terug zien te komen.
En op Ambon moesten Opa Adé en Oma Bats nog wachten totdat de Japanse aanwezigheid daadwerkelijk plaatsmaakte voor een nieuwe werkelijkheid. Geen van hen kon op 15 augustus weten wat er nog zou komen.
En misschien raakt juist dát mij.
Wij weten hoe hun verhaal verderging.
Zij niet.
Wij weten dat Lotte en Otto elkaar terugvonden. Dat mijn vader Hermann twee jaar later werd geboren. Dat het gezin uiteindelijk met de Groote Beer naar Nederland kwam en via het pension in Oisterwijk in Breda een nieuw bestaan opbouwde. Al zou de geschiedenis mij niet mijn Opa Otto samenbrengen, want er zit een gat tussen van maar 272 dagen…
Wij weten ook dat de familie van Adé en Bats uiteindelijk vanuit de Molukken via Biak en Bandung naar Nederland zou komen en hier opnieuw moest beginnen.
Zij hadden die zekerheid niet.
Zij hadden alleen die ene dag.
15 augustus 1945.
De oorlog was voorbij.
Maar voor mijn Opa’s en Oma’s moest de weg naar vrijheid eigenlijk nog beginnen.
En misschien is dat precies waarom ik ieder jaar op 15 augustus weer naar die herdenking kijk.
Naar de toespraken.
Naar de kransen.
Naar de muziek.
En naar de mensen die nog altijd hun eigen verhaal met zich meedragen.
Vandaag was daar dat ene lied.
Aku Jatuh Cinta.
Een lied dat Marlon Pichel verbindt met zijn vader en zijn Opa. Met Hawaiianmuziek, kumpulans en familie.
En via een wonderlijke omweg bracht datzelfde lied mij vandaag weer even bij mijn eigen Opa. Bij Opa Adé en zijn Hawaiiaanse gitaar. Bij Oma Bats naast hem. En vervolgens bij Otto en Lotte aan de andere kant van de archipel.
Waar ik vroeger vooral naar een nationale herdenking keek, zie ik tegenwoordig steeds meer mijn eigen familie.
Mijn lieve Oma Lotte Israël-Burchartz.
De Opa die ik nooit heb mogen ontmoeten, Otto Carel Israël.
Mijn stoere Opa Adé Pascoal.
Mijn bijzondere Oma Bats Pascoal-Lisapaly.
Vier mensen die op 15 augustus 1945 nog geen idee hadden wat de toekomst hen zou brengen.
Maar zonder hun verhaal was het mijne er nooit geweest.
Dat we dat nooit zullen vergeten

