Heel ver weg en toch dichtbij
In de periode voor en na het overlijden van Ma heb ik veel tijd mogen doorbrengen met twee van haar jongere zusjes.
Josie Deighton, of eigenlijk Josefien Pascoal, en Julia Hardeman, of eigenlijk Julia Pascoal.
Twee zussen uit hetzelfde gezin, maar geboren in twee totaal verschillende werelden.
Tante Josie werd geboren op Java, in de Gordel van Smaragd. In een periode waarin de KNIL-militairen met hun gezinnen op Java verbleven en het voor de vaders, de KNIL-militairen, te gevaarlijk was om terug te keren naar Ambon. Uiteindelijk kwam er geen terugkeer naar de Molukken, maar een dienstbevel dat de gezinnen naar Nederland bracht.

Tante Julia werd geboren in Overijssel en groeide op in de omgeving van kamp Beugelen, waar het gezin na aankomst in Nederland terechtkwam. Haar eerste jaren werden bovendien gekenmerkt door gezondheidsproblemen en regelmatige bezoeken aan het ziekenhuis.
Ondanks die verschillende geboorteplaatsen hadden de twee iets belangrijks gemeen.
Ze groeiden op in een ontheemde omgeving.
Java was niet thuis. Beugelen was niet thuis.
Het waren plekken waarvan je wist dat ze tijdelijk waren.
Doorvoerlocaties op weg naar iets anders.
Want bij veel Molukkers van de eerste en tweede generatie leefde lange tijd de overtuiging dat het verblijf in Nederland tijdelijk zou zijn. Dat uiteindelijk de reis terug zou worden gemaakt. Naar de Zuid-Molukken. Naar Ambon. En voor onze familie misschien wel naar Ihamahu.
Die terugreis kwam er niet.
Beugelen
Kamp Beugelen heeft bovendien een geschiedenis die veel verder teruggaat dan de komst van de Molukse gezinnen in 1951.
Het terrein werd in verschillende perioden voor uiteenlopende doeleinden gebruikt. Het was een werkkamp, werd tijdens de Tweede Wereldoorlog gebruikt voor Joodse dwangarbeiders en door de Nederlandsche Arbeidsdienst en was na de bevrijding een interneringskamp voor mensen die werden verdacht van of veroordeeld voor collaboratie.

En vervolgens kwamen daar in 1951 ontslagen KNIL-militairen met hun gezinnen terecht.
Het blijft een vreemde gedachte.
Mensen die in dienst van Nederland hadden gestaan, kwamen na een lange reis terecht op een plek met zo’n beladen geschiedenis. Ze moesten daar een nieuw bestaan beginnen, terwijl velen ervan overtuigd waren dat ze helemaal geen nieuw bestaan in Nederland hóéfden op te bouwen.
Ze zouden immers teruggaan.
Dat gebeurde niet.
Een start die je niemand toewenst.
Maar ook een start die mensen heeft gevormd en misschien noodgedwongen sterker heeft gemaakt.
En dan maak ik een sprong van ongeveer 75 jaar.
Van kamp Beugelen naar een tuin in Oosterhout.
Gewoon samen
We zitten achter het huis aan de Vreeburg 11.
Mijn tantes en ik.
Gewoon wat te keuvelen.
En ondanks alles wat er op dat moment in ons leven speelt, wordt er gelachen.
Dat is misschien wel een van mijn dierbaarste herinneringen aan die moeilijke periode geworden.
Deze twee tantes hebben op belangrijke momenten in mijn leven altijd dicht bij mij gestaan. Dat schept een band. Een band die je niet iedere keer hoeft uit te spreken om te weten dat hij er is.
Bij ons uit zich dat vooral in liefde, belangstelling en warmte. Maar zeker ook in humor. Want een beetje pesten moet kunnen. De jongste van de twee is daarbij misschien nét iets vaker het slachtoffer, maar ook de oudste ontsnapt er absoluut niet aan.
En soms hoef ik er helemaal niets voor te doen.
Dan verschijnt er ineens een WhatsAppje op mijn telefoon:
“Garlic bottom left cupboard right, in a plastic container.”
Oké…
Dank je wel, tante Josie.
Het bericht bleek helemaal niet voor mij bedoeld. Het was voor Rosalie.
Maar ja, eenmaal naar mij verstuurd is eenmaal naar mij verstuurd.
Foutje bedankt!
En daarmee heb je binnen onze familie natuurlijk onmiddellijk nieuw materiaal aangeleverd waar je nog een tijdje mee vooruit kunt.
Juist die momenten waren in die weken ontzettend waardevol.
Want ondertussen zaten we daar natuurlijk met een heel andere reden.
We waren er voor Ma.
Even terug naar vroeger
Wat tante Josie en tante Julia in die periode voor Ma hebben gedaan, is moeilijk in woorden uit te drukken. Net als ome Jan, tante Plony, tante Betty, Domina Paulien, tante An en oom Joop brachten zij iets terug waarvan ik pas later goed ben gaan beseffen hoe belangrijk het voor Ma was. Ze brachten haar een stukje van haar jeugd terug.
De verhalen kwamen vanzelf. Over vroeger, over de familie, over Kruiningen, Breda en over mensen die er allang niet meer zijn. Herinneringen waarvan het ene verhaal automatisch weer het volgende opriep. En dan zag ik Ma glimlachen. Voor even stond niet haar ziekte centraal. Niet de medicijnen die niet meer werkten. Niet het naderende afscheid.
Dan was ze gewoon weer Farida tussen haar familie.
Een zus tussen haar zussen.
En misschien, heel even, weer dat Molukse meisje van vroeger.
Dat waren kostbare momenten.
Een glimlach kon de pijn niet wegnemen, maar soms wel even naar de achtergrond drukken.
Ook voor mij
En ondertussen gaven mijn tantes ook míj iets.
De lieve woorden, de gesprekken in de tuin, de grappen en de berichtjes die over en weer werden gestuurd. Het gaf mij in een periode waarin ontzettend veel op mij afkwam de energie om gewoon door te gaan.
Maar er gebeurde nog iets.
Mijn tantes vertellen mij regelmatig dat ze genieten van de stukjes die ik schrijf. Dat doet mij goed, juist omdat schrijven voor mij een manier is om herinneringen vast te houden en gebeurtenissen een plaats te geven. Daarom vind ik het ook fijn om nu eens iets over hén te schrijven. Om ze te laten weten dat niet alleen Ma van hun aanwezigheid heeft genoten, maar ik minstens zo veel.
Want in al het verdriet is er ook iets moois gebeurd. De banden zijn opnieuw aangehaald.
Niet omdat ze ooit slecht waren. Integendeel. De warmte is er altijd geweest. Maar het leven zorgt ervoor dat mensen soms verder uit elkaar komen te staan dan ze eigenlijk zouden willen. Werk, gezinnen, verplichtingen en in ons geval ook letterlijk de kilometers tussen Oosterhout, Dordrecht en Silkstone. Afstand die niet bewust ontstaat, maar die er op een gegeven moment gewoon is.
Door de omstandigheden rondom Ma kwamen we weer dichter bij elkaar.
Misschien klinkt het vreemd om iets positiefs te halen uit zo’n verdrietige periode, maar ik denk dat Ma het juist mooi zou hebben gevonden. Haar laatste weken brachten haar zussen dichter bij haar, maar brachten ook haar zoon en haar zussen weer wat dichter bij elkaar.

De band was er altijd.
Hij was warm en vertrouwd.
Maar hij is weer wat strakker aangetrokken.
We hebben elkaar opnieuw gevonden in gesprekken, herinneringen, humor, verdriet en vooral in de liefde voor dezelfde vrouw die ons daar allemaal samenbracht.
Mijn Ma.
Hun zus.
En ook daarin herken ik opnieuw dat ene woord dat de laatste tijd zo vaak terugkomt.
Gandong.
De verbinding. De verbintenis. Familie zijn zonder dat je daar iedere keer woorden aan hoeft te geven.
Heel ver weg en toch dichtbij
Inmiddels moeten we opnieuw afstanden overbruggen.
Tante Josie ging weer terug naar Silkstone bij Barnsley in South Yorkshire en tante Julia naar Dordrecht over de Moerdijkbrug. Dat voelde na al die tijd samen toch anders dan daarvoor. Misschien juist omdat we in die weken weer zo intensief met elkaar waren opgetrokken.

Gelukkig leven we in een tijd waarin afstand niet automatisch betekent dat je elkaar uit het oog verliest. We bellen regelmatig, soms met beeld erbij, en natuurlijk zijn er onze WhatsApp-kanaaltjes waarin van alles voorbijkomt. Ook boodschappen over knoflook die eigenlijk voor iemand anders bedoeld waren.
Zo zijn ze soms heel ver weg en tegelijkertijd toch weer heel dichtbij.
Voor Dordrecht kunnen we gelukkig de Moerdijkbrug over om letterlijk en figuurlijk een brug te slaan. Voor Silkstone zijn wat meer kilometers nodig. Maar kilometers zeggen uiteindelijk niet zoveel over hoe dichtbij iemand kan zijn.
En het allerfijnste blijft natuurlijk wanneer er helemaal geen telefoon, WhatsApp of videoverbinding nodig is. Wanneer ik mijn tantes gewoon kan zien, met ze kan lachen, ze een beetje kan pesten en ze vooral even kan knuffelen.
Dus lieve tante Josie en tante Julia, omdat jullie mij altijd vertellen dat jullie mijn stukjes zo graag lezen, is dit stukje deze keer vooral voor jullie.
Dank jullie wel voor wat jullie voor Ma hebben gedaan.
Maar ook voor wat jullie, misschien zonder dat jullie het zelf beseffen, voor mij hebben gedaan.
Ik heb genoten van jullie aanwezigheid. Van onze gesprekken, onze grappen en onze herinneringen. En vooral van de warmte die er altijd tussen ons is geweest en die in deze verdrietige periode alleen maar sterker is geworden.
We zijn weer een beetje dichter tot elkaar gekomen. Niet omdat we elkaar kwijt waren, maar omdat de afstand die door het leven en de omstandigheden tussen ons was ontstaan ineens weer een stukje kleiner werd.
De kilometers zijn er nog steeds.
De band ook.
Alleen voelt die laatste gelukkig weer een stukje sterker.
Dank jullie wel, lieve tantes.
Gandong laat zich niet in kilometers meten.
