Een eigen koers (10)

Mijn jeugd – deel 10

Dit is een serie waarin ik schrijf over mijn jeugd, zoals ik die zelf heb beleefd. Alles wat ik hier vertel komt uit mijn herinneringen. Soms scherp, soms vervaagd, maar altijd echt. Het zijn verhalen die mij hebben gevormd. In het goede en in het kwade.

Deze serie is ontstaan omdat ik mijn herinneringen een plaats wil geven. Door ze op te schrijven zie ik opnieuw hoe mijn jeugd eruitzag, hoe ik die toen beleefde en welke momenten mij hebben gemaakt tot wie ik nu ben. Het zijn geen historische reconstructies en geen pogingen om gelijk te halen. Het zijn simpelweg mijn herinneringen, verteld door mijn eigen ogen.

Dit is mijn verhaal.

Het einde van de Graafse periode

In mei 1984 kwam er een einde aan mijn leven in Grave. Niet op een manier die je als zestienjarige voor ogen hebt, maar op een manier die ik mij tot op de dag van vandaag kan herinneren.

De financiële problemen thuis waren al langer zichtbaar. We hadden zelfs geen gasaansluiting meer. Maar in mei ging het helemaal mis. Deurwaarder Baudoin stond met een grote groep mannen voor onze deur. Er was geen ontkomen meer aan doordat mijn vader weer zijn belofte om de huur te betalen niet was nagekomen. We werden uit ons huis gezet. Wij en al onze spullen stonden letterlijk op straat; het huis was leeggehaald en ineens hadden we geen thuis meer.

Ik schaamde me echt kapot. Niet alleen voor de buren die van achter de gordijnen gluurden wat er op nummer 22 gebeurde of gewoon op straat stonden te kijken wat voor spullen wij eigenlijk hadden. Alsof je in je onderbroek staat voor al die mensen en ze nog even in het label kijken of het misschien iets voor hen was. Al die mensen gaven mij ein unheimliches Gefühl. Alles wat jarenlang zo vanzelfsprekend voor ons was geweest, was ineens verdwenen. Een huis, mijn zolderkamer, mijn spullen, mijn verzameling AJAX-sjaals en posters van het plafond op zolder, mijn vertrouwde omgeving. Alsof iemand zomaar mijn jeugd in één keer heeft weggepoetst.

Gelukkig konden we een paar dagen terecht bij de familie Mulder op nummer 11. Mensen die net zo lang als wij in de Van der Plaatstraat woonden, die ons opvingen toen we nergens anders heen konden. Maar hoe dankbaar ik daarvoor ook was, ik wilde nu echt weg uit Grave. De schaamte over de uithuiszetting was daarvoor te groot geworden.

Ook mijn eerste verkering met Miranda uit Nistelrode was inmiddels voorbij. Het voelde alsof er in korte tijd wel heel veel tegelijk was verdwenen. We vertrokken naar Breda.

Een tussenstop aan de Spaarnestraat

Onze eerste bestemming was de Spaarnestraat, bij mijn Ome Piet en tante Lien. Een huis waar ik al jaren kwam en dat voor mij altijd al een veilige plek was geweest. Eerst een veilig toevluchtsoord in vakanties en weekenden. En nu was het ons tijdelijke huis in een oh zo bekende buurt totdat wij onze eigen woning zouden krijgen.

Ineens woonden wij samen met mijn Ome Piet, tante Lien, neefje Laurens van vier en nichtje Kika van drie. En ineens kwamen wij erbij en maakten de huishouding twee keer zo groot. Ma en CeeBee trokken in op zolder, ik kreeg de kleine voorkamer en Daniëlle sliep op de grond tussen de bedden van Laurens en Kika.

Tante Lien had een bijzonder plekje in mijn hart. Dat heeft ze eigenlijk altijd gehouden. Niet alleen omdat ze ons opving, maar ook omdat ik bij haar iets vond wat ik thuis lang niet altijd had ervaren. Een vanzelfsprekende warmte. Het gevoel dat je welkom was. Ook na de periode dat we hier woonden kwam ik nog heel vaak terug, want dit was en bleef toch ook een beetje mijn thuis.

Vele jaren later, in het voor ons ook zo bekende hospice waar ze de laatste weken van haar leven verbleef, vertelde ze mij dat ze nooit had moeten toestaan dat CeeBee samen met Ma op zolder kwam wonen. Volgens haar was dat niet goed voor ons gezin geweest. Dat ze daar zoveel jaren later nog op terugkwam, zegt genoeg over de omstandigheden.

Ondertussen speelden er ook problemen binnen het huwelijk van Ome Piet en Tante Lien. Uiteindelijk vertrok hij en liet hij haar zwanger achter. Arnold zou het jaar daarop worden geboren. Wij waren toen alweer verhuisd, maar de hele warme band met Tante Lien, Laurens, Kika en Arnold zou voor altijd blijven bestaan. Tot op de dag van vandaag heb ik meerdere keren per week contact met Kika en wandel of padel ik samen met Arnold. Die band zal nooit verbroken worden.

Wilgenbroek 118. Op de rand van Breda…

De Haagse Beemden was in die tijd nog volop in ontwikkeling. Nieuwe huizen, nieuwe straten, nieuwe bewoners. Aan de noordwestkant van Breda, tegen de A16 aan, met een brug over de snelweg richting Prinsenbeek.

Wilgenbroek 118 werd ons nieuwe adres. Een nieuwbouwhuis in een nieuwbouwwijk. Een heel andere wereld dan de nieuwbouwwijk van de jaren ’70 bij het historische Grave, waar ik ruim elf jaar had gewoond. Het was er nog kaal. Een boompje midden op het plein achter het huis. Het moest allemaal nog gaan groeien. Een buurt zonder historie, een buurt zonder opsmuk en toch een buurt waar iedere familie zijn eigen verhaal had: gescheiden, vluchtelingen, sociale gevallen en nog meer. Natuurlijk ook met nog normale gezinsverbanden, maar dat leek een uitzondering te zijn.

En wij maakten daar toen ook deel van uit.

Mijn domein werd de zolderkamer. Aan beide kanten van het schuine dak zat een Velux-kantelraam. Aan de voorkant keek ik uit over de parkeerplaats en de bushalte op de hoek van de Wilgenbroek en de Arenberglaan. Aan de achterkant zag ik de nog kale tuinen en de pleintjes tussen de huizen.

Het was mijn plek.

Daar kon ik mij terugtrekken, mijn eigen dingen doen en vooral mijn muziek zo hard zetten als ik zelf wilde. Prince, Michael Jackson, Barbra Streisand, film- en klassieke muziek en de verzamelalbums van Now That’s What I Call Music! denderden regelmatig door mijn speakers. Of de buurt daarvan genoot, weet ik niet, maar ze konden in ieder geval meeluisteren.

Beneden was er toch vaak niemand thuis. Mijn moeder en CeeBee waren regelmatig op pad. Bowlingcompetities in Breda, Rotterdam, Dordrecht en andere plaatsen. Op vrijdag naar de Interclub in België. Daarnaast waren er internationale reizen en toernooien.

Ik had daardoor behoorlijk veel vrijheid.
En die vrijheid beviel me uitstekend.

Een nieuwe vriendenclub

In de Wilgenbroek had ik al snel een groep vrienden om me heen. Peter Hameetman, Marcel Slangen, Alain Flamant, Maltie Gajadar en de meiden van de familie Van Beers. Vooral Mariëlle vond ik leuk. Een echt New Wave-meisje, met een mooie bos getoupeerd haar. Ze had nog een oudere zus en twee jongere zusjes, onder wie Astrid.

We hingen veel op straat rond, gingen bij elkaar langs en zaten regelmatig bij mij thuis. Daar was meestal niemand die zich met ons bemoeide. Mijn moeder en CeeBee waren vaak weg voor het bowlen en dat gaf ons alle vrijheid.

Bij de familie Van Beers ging het er wat strenger aan toe. De meiden moesten vaak al vroeg naar binnen. Zelfs als de ijscoman nog door de straat reed. Maar daar hadden wij natuurlijk iets op gevonden. We klommen op de schutting, bij de aansluiting met het huis, en gaven de ijsjes door het raam op de eerste verdieping aan. Vooral voor Mariëlle natuurlijk, maar haar zusjes mochten ervan meegenieten.

We gingen ook regelmatig met een groepje naar de binnenstad. Naar Van Leest of de Free Record Shop om muziek te luisteren en, als er geld was, een nieuwe plaat te kopen. Met lijn 2 kon je via de Lunet naar het centrum, maar meestal pakten we de fiets. Langs de oude suikerfabriek, waar het in het najaar behoorlijk glad kon zijn. In de winter was het soms helemaal oppassen.

En dan waren er natuurlijk de videobanden. Die huurden we aan de Tramsingel en keken we bij ons thuis. Knokfilms, politiefilms, romantische films en alles wat er verder maar op VHS te krijgen was.

In 1985 waren Ma en CeeBee een tijd in Seoul, Zuid-Korea. Mijn zus verbleef bij Regina en Alice Bury in Breda en ik had het huis helemaal voor mezelf. Dat vond ik natuurlijk fantastisch. Vrienden kwamen langs, we draaiden muziek, keken video’s en speelden op de Commodore 64. Niemand die zich ermee bemoeide.

Totdat Daniëlle op een dag thuiskwam.

Ze had vrijwel meteen commentaar op wat er gebeurde en vooral op mijn vrienden. Ik vond haar manier van doen respectloos. Ze was zelf nauwelijks thuis geweest en kwam nu ineens vertellen hoe het allemaal moest. Daar kon ik slecht tegen. Het begon met schreeuwen en liep volledig uit de hand. Ik voelde me voor mijn vrienden te kakken gezet en verloor mijn zelfbeheersing. Ik sloeg haar en zette haar de deur uit.

Daar ben ik niet trots op. Hoe kwaad ik ook was, ik had haar niet mogen slaan. Maar het gebeurde wel. Ik was achttien, behoorlijk eigenwijs en had mezelf op dat moment totaal niet in de hand.

Het vreemde is dat Daniëlle en ik dezelfde jeugd hebben meegemaakt, maar daar blijkbaar heel anders uit zijn gekomen. We hebben samen genoeg meegemaakt, maar elkaar echt begrijpen is ons nooit gelukt. Ook later niet. Dat vind ik ergens jammer, maar inmiddels heb ik geaccepteerd dat onze karakters gewoon niet bij elkaar passen.

Gelukkig waren er ook genoeg momenten waarop het leven een stuk luchtiger was. Want kattenkwaad uithalen, daar waren we in Kesteren behoorlijk goed in. Een paar huizen verder woonde Maltie met haar moeder, Marijke, als ik me haar naam goed herinner. Ik klom een keer langs de regenpijp omhoog en hing een kleerhanger met een jas bij het slaapkamerraam. Daarna klopte ik tegen het raam en dook snel achter een geparkeerde auto.

Eerst werd er voorzichtig vanachter het gordijn gekeken. En toen kwam er een gil die volgens mij de hele buurt heeft gehoord. ‘HERMANN-OTTO ISRAËL!’ Want ja, wie anders zou zoiets uithalen?

Maltie had op een dag ook nog iets met mij af te rekenen. Ze vond blijkbaar dat ik te veel boter op mijn hoofd had en smeerde een blokje roomboter in mijn haar. Wat ik precies had gedaan om dat te verdienen, weet ik niet meer. Maar ik zal er ongetwijfeld aanleiding toe hebben gegeven.

Ik was in die tijd best ondeugend. Tegenwoordig natuurlijk een stuk minder.
Met een dikke knipoog.

Ook mijn kleding veranderde in die periode. Ik ging een beetje de nette, bijna kakkerige kant op. Ruitjesbroeken, gele polo’s, overhemden, keurige truien en schoenen met kwastjes. Niet dat ik werkelijk een kakker was, maar ik vond het mooi. Ik begon steeds meer mijn eigen smaak te ontwikkelen.

School was niet mijn toekomst

Ondertussen zat ik op het Middelbaar Laboratorium Onderwijs in Breda, onderdeel van het IHBO West-Brabant. Met mijn goede examencijfers uit Wijchen leek dat een logische keuze. Vooral scheikunde had me altijd goed gelegen.

Alleen bleek het laboratoriumonderwijs toch heel iets anders te zijn dan ik had verwacht. Vooral die uren in het lab. Ik vond er eigenlijk helemaal niets aan.

Buiten de lessen was het gelukkig een stuk gezelliger. Via studentenvereniging Virgo werden films vertoond op de HTS en daar gingen we regelmatig met een klein groepje naartoe. Brechte Janssen uit Oosterhout, Annemarie Hoevenaar uit Lage Zwaluwe, twee jongens uit Tilburg, onder wie iemand met de naam Van Bijsterveld, en ik.

Op vrijdag gingen we na school vaak nog naar de McDonald’s aan de Karnemelkstraat. Een beetje eten, praten en rondhangen. Gewoon gezellig.

In de kerstvakantie ontstond er iets tussen Annemarie en mij. Ik herinner me vooral een lange wandeling door een besneeuwd Valkenberg. Samen Purple Rain kopen en mijn mooie rode Le Coq Sportif-trui. Gek eigenlijk welke dingen je na al die jaren nog bijblijven. Veel tijd om elkaar te zien hadden we niet. In het weekend werkte ik meestal in Dordrecht, dus we moesten het hebben van de momenten na school en de vrije dagen.

Tijdens carnaval in Lage Zwaluwe liep het uiteindelijk spaak. Ik voelde me niet echt thuis in haar vriendenclub en blijkbaar was het tussen ons toch niet genoeg om er een echte verkering van te maken.

Met school liep het eigenlijk niet veel anders af. Mijn cijfers waren goed genoeg om naar het tweede jaar te gaan, maar ik zag het gewoon niet zitten. Ik had inmiddels wel door dat het laboratorium niets voor mij was.

Dus stopte ik.
Niet omdat ik het niet kon, maar omdat ik het niet wilde.

Werken voor je geld

Werken deed ik ondertussen volop. Op drie heel verschillende plekken zelfs. De Merwehal in Dordrecht, Hotel Breda aan de Roskam in Princenhage en het Chinese restaurant Pom Lai van ome Piet aan de Veemarktstraat.

Over de Merwehal heb ik in het vorige deel al uitgebreid geschreven. Die plek bleef belangrijk voor mij, maar inmiddels verdiende ik ook op andere plekken mijn geld.

Hotel Breda was weer een heel andere wereld. Zakelijke gasten, vergaderingen, diners, feesten en toeristen die onderweg waren tussen Amsterdam, Brussel en Parijs. Ik werkte in de bediening en kreeg al snel mijn eigen wijk. Er liepen zelfs leerling-kelners rond die mij hielpen.

En dat zwarte driedelige pak, met wit overhemd en vlinderdas, stond me eigenlijk best goed.

Het salaris was niet veel bijzonders. ƒ 1,82 per uur, omgerekend zo’n 83 eurocent. Maar de fooien maakten veel goed. Op een goede dag kon ik zomaar honderd gulden mee naar huis nemen. Voor een jongen van achttien was dat serieus geld.

Bij Pom Lai ging het er heel anders aan toe. Daar was het vooral aanpakken. Drankjes brengen, eten uitserveren, tafels afruimen en weer door. De fooien waren minder dan bij Hotel Breda, maar ome Piet stopte me regelmatig nog iets extra’s toe.

Met dat geld kon ik steeds meer mijn eigen dingen doen. Kleding kopen, platen aanschaffen, uitgaan en plannen maken. Maar ik betaalde ook kostgeld thuis en nam de leaguecontributie en de inschrijvingen voor de bowlingtoernooien van mijn zusje voor mijn rekening.

Ik verdiende mijn eigen geld en hoefde voor steeds minder dingen bij iemand anders aan te kloppen.

Dat beviel me uitstekend.

De eerste stappen richting de Marine

Kort na mijn achttiende verjaardag, in juni 1985, werd ik gekeurd voor militaire dienst op de kazerne aan de Fellenoordstraat in Breda. Daar trof ik tussen de fysieke keuringen, testen en vraaggesprekken een bekend gezicht: Marij Kegge.

Ik kende Marij uit de bowlingwereld. Ze werkte ook op het bondsbureau in Eindhoven, had een goede band met mijn moeder en was altijd heel vriendelijk tegen mij. Daarnaast werkte ze ook bij het keuringsinstituut aan de Fellenoordstraat.

Marij vroeg wat ik eigenlijk zelf wilde. Ik gaf aan dat ik graag in dienst wilde en voor verschillende richtingen openstond. De Marine trok me aan, maar ook UNIFIL in Libanon, de Luchtmacht en de Landmacht waren mogelijkheden. Uiteindelijk kreeg ik zowel vanuit de Marine als de Luchtmacht de mogelijkheid om verder te gaan.

Ik koos natuurlijk voor de Marine.

Maar voordat ik wist waar ik terecht zou komen, moest er nog het nodige gebeuren. Er wachtte een uitgebreide selectie en ondertussen ging mijn gewone leven in Breda gewoon door.

Voor het eerst zonder ouders op vakantie

In augustus 1985 ging ik met Peter Hameetman naar Lloret de Mar. Mijn eerste buitenlandse vakantie zonder mijn ouders.

Met de bus vanuit Breda. Meer dan vierentwintig uur onderweg. Een hele onderneming, maar voor ons hoorde dat er gewoon bij. We waren jong en gingen naar Spanje.

Bij aankomst konden we nog niet meteen onze kamer in Hotel Athene betrekken. Dus gingen we op een terrasje zitten en bestelden thee en aardbeien met slagroom. Alleen smaakte die slagroom nogal vreemd. Blijkbaar was er geen suiker of honing aan toegevoegd en daardoor was het allemaal behoorlijk flauw.

We hadden halfpension en het hotel lag aan de boulevard heel dicht bij het strand. Overdag lekker luieren, ’s middags een piña colada, een pincho en ’s avonds wandelen en uitgaan.

Alleen zat er een klein probleempje aan onze vakantie. Peter had geld van zijn oma gepikt en stond daardoor op rantsoen. Hij had nog geen vijftien gulden per dag en moest daar alles van doen. Dat betekende dat we niet alles samen konden doen. Soms ging ik in mijn eentje ergens eten, gewoon omdat ik daar zin in had, wilde genieten van mijn vakantie en het me ook kon veroorloven. ’s Avonds betaalde ik regelmatig de drankjes, soms een grote kan sangria, zodat we toch samen konden genieten van het uitgaan.

Op het strand begon ik ook aan mijn eerste poging om The Lord of the Rings te lezen. Dat enorme boek met zijn drie delen in één. Een ambitieus project voor iemand die eigenlijk vooral op vakantie was om van de zon en het leven te genieten. Het was een te pittig boek voor die tijd, maar later is dat op een ander strand helemaal goed gekomen. Gelukkig waren er wel andere Engelse boeken die besmeurd met kokosolie van cover tot cover door mij zijn gelezen. Ik had toen nog geen fototoestel en dus moet ik het doen met de herinneringen die in mijn hoofd zitten.

In Hotel Athene zou ik later nog drie keer terugkomen voor een vakantie in Lloret, maar dan wel in een heel ander gezelschap.

Voor mezelf hoefde ik niet veel souvenirs mee naar huis te nemen, want bij terugkomst waren mijn moeder en Charley toch in Denemarken voor een bowlingtour en had ik het huis weer voor mijzelf. Toch was er één ding waarvan ik wist dat ik het in Spanje wilde kopen: een doosje Maja-zeep voor tante Lien. Zij hield van die typische Maja-geur en ik vond het fijn om juist dat voor haar mee terug te nemen. Iets kleins misschien, maar voor mij was het belangrijk. Tante Lien had een bijzonder plekje in mijn hart en op mijn eerste vakantie zonder ouders was zij blijkbaar toch een van de mensen aan wie ik dacht.

We waren achttien. We waren in Spanje. En er waren geen ouders in de buurt.
Misschien waren we nog lang niet volwassen.
Maar zo voelde het wel.

De selectie voor de Marine

In het najaar van 1985 was het zover. Ik meldde mij in Amsterdam voor een meerdaagse selectie bij de Koninklijke Marine, samen met ongeveer 250 andere jongens. Op zondagavond kwamen we binnen en diezelfde avond vielen de eersten alweer af. Een test in Engels en wiskunde was voor sommigen al voldoende om hun spullen weer te kunnen pakken.

De dagen daarna volgde het ene onderzoek na het andere. Tests, gesprekken met psychologen, de Marine Inlichtingendienst (MARID) en allerlei fysieke onderzoeken. Ondertussen werd de groep steeds kleiner. De eerste nacht sliepen we nog met meer dan tweehonderd man in de slaapruimtes. De laatste nacht waren daar nog maar een stuk of vijftien van over.

Uiteindelijk bleven we met zes man over. In een kleine ruimte werden wij verwelkomd door een onderofficier en een officier met veel goud op de onderarm van zijn jasje. Hij richtte zich op ons en zei toen: “Heren, jullie zijn bijzonder. Jullie mogen dienen bij het mooiste onderdeel van de Nederlandse Krijgsmacht, de Koninklijke Marine. Jullie zijn bij dezen bestemd om opgenomen te worden in de annalen van de vele Zeemilliciens die in 1861 hun oorsprong vonden. Ik feliciteer jullie”! Ik ben toen toch zo’n 20 centimeter gegroeid, want je voelt je dan ook echt bijzonder.

Vier van ons werden geselecteerd voor de Logistieke Dienst Verzorging. Met zijn tweeën kregen we de mogelijkheid om naar de Bijzondere Dienst Verbindingen (BDVB) te gaan. Daar zat wel een voorwaarde aan vast: voor die opleiding moest ik bijtekenen en dus langer dienen dan mijn gewone dienstplicht.

Ik koos ervoor. Ik werd zeemiliciën bij het mooiste onderdeel van de Nederlandse krijgsmacht, want dat was wel duidelijk.

De Bijzondere Dienst Verbindingen (BDVB) zou later de Operationele Dienst Verbindingen (ODVB) worden. Het zijn de twee dienstvakken waarin ik tijdens mijn tijd bij de Koninklijke Marine heb gediend. Maar zo ver was het nog niet. Eerst moest ik überhaupt nog matroos worden.

Van de Marine naar ONS ALLER AJAX

Op 2 oktober 1985 zat de selectie bij het Markeursel, het Marinekeurings- en selectiecentrum in de kazerne van Marine Amsterdam, erop. Met mijn tas in mijn hand liep ik als trotse zeemilicien-in-wording Marine Amsterdam uit, vanaf het Kattenburgerdiep richting de stad. Drieënhalve dag eerder waren we daar nog met ongeveer 250 man begonnen. Nu wist ik dat ik een van de zes was die uiteindelijk waren overgebleven.

Naar huis ging ik nog niet.

Die avond speelde ONS ALLER AJAX in het Olympisch Stadion tegen FC Porto. Ik had kaarten besteld en had onder andere met Charley afgesproken om naar de wedstrijd te gaan.

Na dagen van testen, gesprekken, onderzoeken en steeds weer afwachten of je door mocht, zat ik die avond gewoon weer op de tribune bij mijn club. De wedstrijd zelf werd een bloedeloze 0-0. Het maakte mij weinig uit.

Ik was door de selectie van de Marine gekomen en wist inmiddels wanneer het echte werk zou beginnen: op 10 februari 1986 moest ik mij in Den Helder op Willemsoord melden voor de EMMV, oftewel de Eerste Maritieme Militaire Vorming.

Hoogspanning thuis

Terwijl mijn vertrek naar de Koninklijke Marine steeds dichterbij kwam, was het thuis lang niet altijd rustig. Vooral tussen CeeBee en mij liep de spanning soms behoorlijk op.

Dat had een voorgeschiedenis. De verhoudingen thuis waren al langer ingewikkeld. Mijn vader was eind 1983 uit ons leven verdwenen en ik was gewend geraakt om mijn eigen boontjes te doppen. Zeker wanneer mijn moeder voor het bowlen van huis was, bepaalde ik grotendeels zelf hoe ik mijn dagen invulde. Dat gevoel van zelfstandigheid had ik meegenomen naar Breda. Toen CeeBee zich vervolgens als een vaderfiguur boven mij probeerde te plaatsen, botste dat met alles waaraan ik inmiddels gewend was.

Ik was inmiddels achttien, al jaren de man in huis en bepaald niet van plan om ineens naar hem te luisteren. Op een dag liep dat behoorlijk uit de hand. Mijn buddy Mirza lag op een stoel en ik ging op een hoekje bij hem zitten. Alleen was die stoel niet bepaald stevig en zakte hij in elkaar. CeeBee werd daar ontzettend kwaad over en schold mij uit voor mongool. Ik ging voor hem staan en vroeg hem het nog een keer te zeggen.

Dat deed hij. Dat had hij beter niet kunnen doen!

Er ontstond een worsteling waarin ik een aantal klappen en kniestoten uitdeelde. Als hij mij probeerde te slaan, probeerde ik die slagen af te weren. Uiteindelijk trok mijn moeder mij de keuken in om mij tot bedaren te brengen. CeeBee bleef behoorlijk gehavend achter. Blauwe plekken in zijn gezicht en een wond doordat zijn bril bij een van mijn klappen in zijn huid was geslagen.

Ik dacht dat het daarmee voorbij was. Dat was het niet. Terwijl mijn moeder mij in de keuken probeerde te kalmeren, kwam CeeBee achter mij staan zonder dat ik het in de gaten had. Hij haalde uit en sloeg mij met één klap een tand uit mijn mond. Ik was woest.

Toch ben ik niet opnieuw op hem afgegaan. Ik ben weggegaan en naar tante Lien gegaan. Zij ving mij op, zoals ze dat vaker deed wanneer ik ergens een veilige plek nodig had.

Naast alle boosheid maakte ik mij ineens zorgen over iets heel anders: de Koninklijke Marine. Ik was inmiddels achttien, had de uitgebreide selectie met succes doorlopen en was goedgekeurd. Op 10 februari zou ik naar Den Helder vertrekken. Maar zou dat nog wel doorgaan nu ik een tand kwijt was? Ik was bang dat ik bij een volgende medische controle alsnog afgekeurd zou worden. Na alles wat ik had gedaan om door die selectie te komen, wilde ik dat absoluut niet laten gebeuren.

Gelukkig kwam mijn verlengde dienstplicht niet in gevaar. Tandarts Paul Wermenbol zorgde ervoor dat ik een kroon kreeg als vervanging. Bijzonder genoeg zou hij jaren later nog mijn teamgenoot worden bij het bowlingteam van Bowling en Partycentrum Breda.

Het verhaal kreeg in de Merwehal nog een onverwacht staartje. Daar zagen ze CeeBee met zijn blauwe plekken en gehavende gezicht rondlopen en wisten ze inmiddels dat ik daarvoor verantwoordelijk was geweest. Erg geliefd was hij daar niet en blijkbaar leverde het mij daardoor zelfs wat extra populariteit op. Iets om trots op te zijn was het natuurlijk niet, maar toch voelde dat wel even lekker.

Maar het vertelde wel iets over hoe de verhoudingen thuis op dat moment lagen. Ik was niet meer het jongetje dat zich stilhield wanneer een vaderfiguur boos werd. Misschien was ik inmiddels wel te ver naar de andere kant doorgeschoten.

Ook daarom kwam mijn vertrek naar de Marine op een goed moment.
Met een kunsttand, een ervaring rijker en vooral de behoefte om mijn eigen weg te gaan.

En toen kwam Nicole

Tot 10 februari ging mijn leven in Breda ondertussen gewoon verder. Ik werkte, ging uit, trok op met mijn vrienden en genoot van de vrijheid die ik inmiddels had.

De Marine kwam steeds dichterbij.
En toen was daar ineens Nicole.

Begin 1986 kwam via Briony een meisje bij onze vriendengroep. Nicole Couvreur. Ze zat bij Briony en mijn zus op school aan de Boeimeersingel. Welke opleiding er toen precies zat, weet ik niet meer.

Nicole was ongeveer tweeënhalf jaar jonger dan ik. Blond, mooi opgemaakt en ik vond haar vanaf het begin ontzettend leuk. De geur van Wella-haarspray. Bessen Coebergh met 7-Up en de sigaretten. Van die kleine details die je na veertig jaar nog steeds direct terugbrengen naar een bepaalde tijd.

Op 5 februari gingen we samen met Alain en Briony bowlen in sportcentrum De Heerbaan. Na het bowlen liepen we via de Lage Kant door het Brabantpark naar de Smaragdstraat, waar zij woonde, en mochten wij daar mee-eten.

Er was spanning. Aantrekkingskracht. Maar verder gebeurde er nog niet zoveel. Geen gekus of gefriemel. We waren elkaar nog een beetje aan het ontdekken. En de tijd begon te dringen. Het was de week voor carnaval en over een paar dagen moest ik naar Den Helder.

Die zondagavond gingen we uit in de discotheek De Bolero aan de Visserstraat. Ik herinner me de muziek nog. Conga van Miami Sound Machine, met Gloria Estefan. Dansen was bepaald niet mijn sterkste kant. Ik was zo houterig als wat en bewoog me over de dansvloer als een soort Jan Klaassen in een poppenkast. Ik schaamde me kapot, maar bleef toch doordansen.

En ergens die avond gebeurde het.
De eerste kus.
Met Nicole.

Ik was knettergek op haar. En juist op het moment dat er iets moois begon, moest ik vertrekken.

Veel tijd om daarvan te genieten kregen we niet. De volgende ochtend moest ik vroeg op. Met lijn 2 naar het station in Breda, vervolgens met de trein via Den Bosch en Amsterdam naar Den Helder.
Mijn tas gepakt. Mijn nabije toekomst lag in Den Helder.
Nicole bleef achter in Breda.

Op eigen benen

Als ik terugkijk op die periode, zie ik hoeveel er in nog geen twee jaar veranderde.

Van de uithuiszetting in Grave naar een nieuw leven in Breda. Van tijdelijk onderdak bij tante Lien naar mijn eigen zolderkamer in de Wilgenbroek. Van een school waar ik niet gelukkig was naar werken, mijn eigen geld verdienen en voor het eerst zonder ouders op vakantie gaan.

Ik had nieuwe vrienden gemaakt, was verliefd geweest, had ruzies uitgevochten en was soms behoorlijk tegen mezelf aangelopen. Maar ik had ook geleerd dat ik keuzes kon maken. Niet altijd de juiste. Niet altijd even verstandig. Maar het waren steeds vaker mijn eigen keuzes.

En nu ging ik naar de Marine. Niet omdat iemand anders dat voor mij had bepaald, maar omdat ik het zelf wilde. Er wachtte een heel nieuwe wereld op me. Een wereld van uniformen, discipline, kameraadschap, schieten met echte wapens (FAL, USI en de Browning), nieuwe verantwoordelijkheden en ervaringen die ik toen nog niet kon overzien.

En ergens in Breda was Nicole. Een meisje dat ik nog maar net kende, maar dat in korte tijd een heel bijzondere plaats in mijn leven had gekregen.

Ik vertrok naar Den Helder als een jongen die dacht dat hij al behoorlijk zelfstandig was.
De Marine zou me leren hoeveel ik nog te ontdekken had.
Maar dat is voor het volgende deel.