Jaga beta pung Mama – Waak over mijn Ma

Het is vandaag 26 dagen geleden dat mijn moeder overleed.
Bijna dagelijks vraagt iemand mij hoe het met mij gaat. Mijn antwoord is meestal hetzelfde.
Het gaat goed.

En het vreemde is: dat is niet eens een sociaal wenselijk antwoord. Het gaat ook gewoon goed. Ik sta op, doe mijn dingen, werk, kan lachen, sport, schrijf mijn verhalen en word niet iedere dag overvallen door verdriet. Ik zit niet voortdurend met tranen in mijn ogen en voel mij vanbinnen ook niet voortdurend verdrietig. Maar ik mis haar wel, mijn moedertje.

Alleen zit dat missen bij mij vooral aan de binnenkant. Ik ben geen binnenvetter die alles probeert op te kroppen. Zo voelt het helemaal niet. Het gemis zit voor mij vooral in het besef dat heel gewone dingen ineens niet meer gewoon zijn.

Ik kan Ma niet meer even bellen. Mijn telefoon gaat niet meer omdat ze vraagt of ik een boodschap voor haar wil doen. Geen voicemail meer omdat ik weer eens een telefoontje van haar gemist had. Er ligt geen klusje meer op mij te wachten. We gaan niet meer samen trainen en ik hoef haar niet meer te helpen als zij training geeft.

Kaarten deden we al een tijdje niet meer samen. Als we de laatste tijd samen aten, was het ook steeds vaker iets wat we ergens hadden gehaald. Maar daarna bleef ik regelmatig nog even hangen. Angela en David gingen dan alvast naar huis en ik bleef bij Ma om samen naar sport of iets anders te kijken.

Niets bijzonders.

En misschien is dat juist het bijzondere.

Het waren gewoon de dingen die we deden.

Een paar maanden eerder zag ons leven er nog anders uit. Toen kookte ze nog regelmatig voor ons. Ze had meer energie en wilde nog weleens spontaan met ons het terras op bij De Beren of De Heeren van Beijnen voor een bakje en een hapje.

Gewoon samen zijn.
Zonder programma.
Zonder dat alles perfect geregeld hoefde te zijn.
Verre van dat.
Gewoon onszelf zijn.
Daar waren we allebei het beste in.
Dat waren uiteindelijk vaak de leukste momenten.

Ook vond ze het fijn dat ik haar naar de bowling bracht. Liever met mij dan met de taxi. Op maandag, op zaterdagochtend of wanneer ze het ook maar wilde. Soms alleen heen, soms ook weer terug. Ik haalde haar thuis op, zette haar aan de voorkant af en bracht haar tassen naar binnen, de verhoging op. Bij het ophalen zat ze meestal al op de trap met een glaasje cola, dat ik nog even moest opdrinken, terwijl zij nog een cigarillo rookte. Dan konden we weer gaan. Tenminste, dat dacht ik dan. “Oh, kunnen we nog even een boodschap doen?” En dan stopten we bij Albert Heijn op het Brabantplein of reden we door naar Oosterhout om toch nog snel even naar de Jumbo op Arkendonk te gaan. Daarna door naar de Vreeburg. De auto vaak even op de stoep, alle spullen naar binnen en dan wist ik dat ze weer veilig thuis was.

De laatste maanden kwam daar nog iets anders bij. Het Erasmus MC. Alleen reizen werd te veel voor haar. Te lang onderweg, te koud en vooral te vermoeiend. Zelfs als ik haar ’s ochtends vroeg naar het station in Breda bracht en haar daar ’s middags weer ophaalde, werd zo’n dag steeds zwaarder. Dus reden we steeds vaker samen naar Rotterdam. Voor een scan. Voor bloedonderzoek. Vrijwel altijd eindigde zo’n bezoek met een gesprek met de prof.

Iedere keer weer ongeveer hetzelfde ritueel. Heenrijden. Parkeren. Naar binnen. Wachten. Onderzoek. Weer wachten. Tussen de afspraken door probeerde ik nog wat te werken. Vaak zocht ik daarvoor een plekje bij Restaurant Feel Good. Daarna weer terug naar de vierde verdieping, wachten tot we aan de beurt waren en luisteren naar wat de prof dit keer te vertellen had. Soms was het goed nieuws. Soms minder goed. Daarna liepen we weer samen naar de auto en reden we terug naar huis. Soms rechtstreeks naar Oosterhout, soms met een tussenstop in Dordrecht bij tante Julia.

Achteraf zijn zelfs die ziekenhuisbezoeken herinneringen geworden waar ik met een bepaalde warmte aan terugdenk. Dat klinkt misschien vreemd, want we reden natuurlijk niet voor ons plezier naar het Erasmus. Iedere afspraak kon nieuws brengen dat we liever niet wilden horen.

Maar we waren wel samen.

Op een gegeven moment wilde Ma bepaalde dingen niet meer met anderen delen.
Daar had ze haar eigen redenen voor.
En ik?
Ik ging daarin met haar mee.
Het was haar ziekte.
Haar leven.
En dus vond ik dat uiteindelijk ook zij mocht bepalen hoe ze daarmee omging.

Ik zou het verhaal mooier kunnen maken dan het was.
Dat doe ik niet.

De laatste periode was ook lastig. Toen mijn zus veel bij mijn moeder in huis was, veranderde de sfeer. Dingen gingen steeds meer op haar manier en dat zorgde voor spanningen. Niet alleen bij mij.

Ook mijn reactie daarop was niet altijd even vriendelijk. Ik kon kortaf en bits reageren. En in sommige gesprekken was ik heel stellig. Misschien soms té stellig. Maar daar zat voor mij wel iets achter. Ik wilde opkomen voor wat ik dacht en voelde dat Ma wilde.

Mijn moeder spraken vaak over wat zij belangrijk vond en daar stond ik voor. Niets voorkauwen, geen woorden in de mond leggen, maar gewoon haar het verhaal laten doen, zodat alles puur haar verhaal bleef. Ik kende de afspraken die we samen hadden gemaakt. Ik wist hoe zij over bepaalde dingen dacht en ik wilde voorkomen dat in alle drukte rondom haar ziekte ineens anderen gingen bepalen wat goed voor haar was. Dat botste.

Achteraf zou je misschien willen dat die laatste weken alleen maar mooi waren geweest. Dat iedereen elkaar begreep, niemand geïrriteerd raakte en alles vanzelf goed ging. Maar zo was het niet. Zo zijn families volgens mij ook niet. Daarom was het beter om soms even afstand te nemen. Liever even afstand en wat meer rust voor ons allemaal dan bij elkaar blijven en de spanning met de minuut voelen oplopen.

Van dezelfde persoon houden betekent niet automatisch dat je met elkaar op één lijn zit. Soms is het juist omdat je zoveel om iemand geeft dat je tegenover elkaar komt te staan over wat volgens jou het beste voor die persoon is. En dan blijf je staan waar je voor staat.

Uiteindelijk doe je het voor je moeder.

Mijn Ma.

En toen kwam eens diep in de nacht, dankzij mijn lieve nicht Kika, een lied bij mij binnen.

Sio Mama.

Een Moluks lied waarvan ik die nacht pas echt de betekenis van de woorden leerde kennen en waarvan sommige regels door het overlijden van mijn moeder ineens heel bijzonder klinken.

Bij het lezen ervan moest ik terugdenken aan mijn toespraak tijdens haar afscheid. Die toespraak en dit lied lijken soms bijna in elkaar over te lopen. Alsof iemand in dat lied woorden heeft gegeven aan hetzelfde gevoel dat ik tijdens mijn toespraak probeerde te beschrijven. Het gevoel van een zoon die naar zijn moeder kijkt en beseft wat zij allemaal voor hem heeft gedaan.

Lah sampai basar bagini
Beta tra lupa Mama e.

Vrij vertaald:

Nu ik zo groot ben geworden, ben ik jou nog altijd niet vergeten, Mama.

Ik ben inmiddels 59 jaar. Zelf vader van een volwassen zoon.
En toch was ik bij haar nog altijd gewoon haar zoon.
Misschien verandert dat ook nooit.
Maar verderop in het lied staan de woorden die mij op dit moment nog veel meer raken.

Sio Tete Manis e.
Jaga beta pung Mama e.

Lieve God, waak over mijn Mama.

Vier eenvoudige woorden.
Maar wat zijn ze toepasselijk.
Want als ik terugkijk op de afgelopen periode, is dat eigenlijk wat ik heb geprobeerd te doen.
Waken over Ma.

Niet letterlijk iedere minuut van de dag naast haar zitten. Zo waren wij ook helemaal niet. Het ging erom dat ik er was als het nodig was.
Boodschappen doen. Een klusje. Meegaan naar het ziekenhuis. Luisteren naar de prof. Proberen te begrijpen wat de volgende stap zou worden. Dingen regelen. Haar helpen met trainen. Samen eten. Sport kijken.

En soms ook gewoon naast haar zitten en helemaal niets bijzonders doen.
In de laatste fase veranderde dat waken. Er viel steeds minder op te lossen.
Dat was misschien nog wel het moeilijkste.

Elf jaar lang was er na slecht nieuws uiteindelijk bijna altijd weer een volgende stap geweest.
Een ander medicijn. Een andere mogelijkheid.
Weer een scan. Weer bloedonderzoek. Weer een gesprek.

Tot die volgende stap er niet meer was.
Toen konden we niets meer repareren.
Alleen nog zorgen dat het ging zoals Ma het zelf wilde.
En uiteindelijk loslaten.

Dus wanneer iemand mij nu vraagt hoe het met mij gaat, blijf ik waarschijnlijk nog wel een tijdje zeggen:
Het gaat goed met mij.

Omdat dat ook zo is. Ik hoef niet iedere dag kapot te zijn van verdriet om iedere dag mijn moeder te kunnen missen. Mijn verdriet hoeft niet voortdurend zichtbaar te zijn om echt te zijn. Het zit ergens anders.

In het moment waarop ik iets zie en denk dat ik Ma daarover moet bellen. In een verhaal waarvan ik weet dat zij het gelezen zou hebben. In al die doodgewone dingen die jarenlang zo vanzelfsprekend waren dat ik er nooit bij stilstond dat er ooit een laatste keer zou komen.

En natuurlijk weet ik dat het nog maar 26 dagen zijn. Misschien komt het verdriet later anders binnen. Misschien ook niet. Er bestaat volgens mij geen handleiding waarin staat hoe je op je 59e afscheid moet nemen van je moeder.

Dit is blijkbaar mijn manier.

Ik mis haar.

Van binnen.

Iedere dag een beetje anders.

En soms komt dat gemis ineens samen in een paar woorden uit een lied dat al veel langer bestaat dan dit verdriet.

Sio Tete Manis e.
Jaga beta pung Mama e.

Lieve God.
Ik heb zolang ik kon over haar gewaakt.
Waak nu over mijn Ma.