In een appartementencomplex leer je elkaar vanzelf kennen. Op de galerij wordt weleens een praatje gemaakt. Buren die elkaar tegenkomen, iemand die even de hond uitlaat, baasjes die beneden staan terwijl de honden nieuwsgierig naar boven kijken omdat ze bekende stemmen horen. Het zijn juist die kleine momenten die ervoor zorgen dat een appartementencomplex als een buurt voelt in plaats van een verzameling appartementen.
Tenminste… meestal.
Wij wonen inmiddels al ruim achttien jaar naast dezelfde buurman. Een man die zichtbaar met zichzelf worstelt en al net zo lang voor onrust in het complex zorgt. Vrijwel iedere keer als er op de galerij een gesprek ontstaat, gaat zijn voordeur open. Soms zegt hij niets en kijkt hij alleen. Meestal bemoeit hij zich er ongevraagd mee. Niet omdat hij belangstelling heeft voor het gesprek, maar omdat het gesprek blijkbaar niet zonder hem mag plaatsvinden.

Wat mij al die jaren misschien nog wel het meest is opgevallen, is dat hij nooit neutraal naar buiten komt. Er is geen goedemorgen, geen vriendelijk knikje of gewone vraag. Als hij naar buiten stapt en ik in de buurt ben, is hij vrijwel altijd boos en dreigend. Zijn lichaamshouding, zijn blik en de manier waarop hij mij aankijkt zorgen ervoor dat je direct voelt dat het ieder moment kan omslaan. Dat gevoel is in al die jaren eigenlijk nooit veranderd.
Zo ook vandaag.
Sinds kort hebben wij nieuwe buren aan de andere kant van ons appartement. Leuke mensen. Zijn vader ken ik nog uit mijn tijd bij TSC, waar hij coördinator onder mij was. Tegenwoordig komen we elkaar ook regelmatig tegen bij OTC De Warande, waar we allebei padellen. We stonden wat te praten over voetbal, de trainingskleuren van onze clubs, ons werk en nog wat dagelijkse dingen. Gewoon een ontspannen gesprek tussen buren.
Totdat de deur naast ons weer openging.
Vanuit de deuropening kwamen de inmiddels bekende opmerkingen. Ik was een nietsnut. Ik zal wel MAVO met een pretpakket hebben gedaan. Op sportgebied had ik nog nooit iets bereikt. Ik moest vooral niet denken dat ik zo belangrijk was. Het bijzondere is dat hij dit allemaal met een enorme overtuiging zegt. Alsof hij precies weet wie ik ben en hoe mijn leven eruitziet.
Maar eerlijk gezegd raakte hij mij daar jaren geleden al mee kwijt.
In de loop der jaren ben ik voor van alles uitgemaakt. De Koreaan met spleetogen. De man die met een motorbende uit de Klappeijstraat omgaat. Degene die expres pakketjes bij hem laat bezorgen om hem te bespioneren. De buurman die de hele dag bezig zou zijn om hem dwars te zitten. Als je het zo achter elkaar leest, klinkt het bijna komisch. Tot je beseft dat hij dit zelf ook echt lijkt te geloven.
Misschien vond ik daarom de opmerkingen richting mij nooit het ergste.
Dat was David.
Toen hij nog klein was, rende hij vaak zo snel mogelijk naar onze voordeur zodra hij onze buurman zag. Hij was bang. Echt bang. Hij wilde zo snel mogelijk naar binnen voordat hij weer werd aangesproken of geconfronteerd met een nieuwe uitbarsting. Als ouder doet dat iets met je. Want hoe leg je een kind uit waarom iemand zich zo gedraagt, zonder die persoon meteen af te schrijven? Je probeert uit te leggen dat sommige mensen hulp nodig hebben, maar ondertussen zie je de angst in de ogen van je eigen zoon.
Dat is misschien wel het moeilijkste aan dit verhaal.
Want ondanks alles denk ik oprecht dat deze buurman hulp nodig heeft. Niet omdat hij vervelend is, maar omdat iemand die al jarenlang voortdurend ruzie heeft, deuren intrapt, mensen bedreigt, vechtpartijen heeft en zijn omgeving angst aanjaagt, waarschijnlijk zelf ook geen rustig leven leidt. Alleen is dat voor de mensen die ernaast wonen geen oplossing.
In de afgelopen achttien jaar hebben wij van alles meegemaakt. Vechtpartijen waarbij hij zelf rake klappen kreeg. Deuren die werden ingetrapt. Bedreigingen richting mij en andere bewoners. Ruzies met zijn vriendin die door het hele complex te horen waren en waarbij het er soms behoorlijk heftig aan toeging. Daarover hebben wij als bewoners regelmatig contact gehad met de politie en sociaal werk. Meer dan signaleren en melden kun je eigenlijk niet doen.
Het lastige is dat zijn vriendin eigenaar is van het appartement. Verhuizen is dus geen eenvoudige oplossing. Dus ontwikkel je als bewoners vanzelf een soort schild. Je weet dat de deur ieder moment open kan gaan. Je weet dat een gezellig gesprek zomaar kan veranderen in een stortvloed aan verwijten. Je weet dat die gefixeerde blik weer kan verschijnen, waardoor je onwillekeurig denkt: als het nu maar niet escaleert.
En toch gaat het leven daarna gewoon weer verder.
De deur gaat dicht. Het gesprek wordt hervat. De honden kijken alweer een andere kant op. De buurman beneden zwaait nog even omhoog. Alsof er niets is gebeurd.
Misschien is dat ook wel de kracht van de meeste bewoners hier. We laten ons leven niet bepalen door één persoon. Niet omdat het normaal is geworden, maar omdat je anders iedere dag met spanning zou leven.
En ik?
Ik blijf volgens hem gewoon de Koreaan met spleetogen. De man met zijn MAVO-pretpakket die op sportgebied nooit iets bereikt heeft.
Ach…
Als de deur weer dichtgaat, gaat mijn leven ook weer verder. Misschien is het opschrijven van dit verhaal wel de beste manier om het weer even achter me te laten.
Misschien lag het vandaag aan de warmte.
Misschien ook niet.
Na achttien jaar weet ik eigenlijk maar één ding zeker.
Warm of koud. Zomer of winter. Maandag of zondag.
Je weet nooit wanneer die deur weer opengaat.
