Wees met een vader

Officieel ben ik geen wees.
Mijn vader leeft nog.
Ergens.

Ik weet niet precies waar. Ik weet niet hoe het met hem gaat en eerlijk gezegd hoef ik het ook niet te weten. De behoefte om een woord met hem uit te wisselen is er al bijna veertig jaar niet meer.

En toch kwam deze week ineens die vreemde vraag bij mij op.
Mag ik mij misschien toch een wees noemen?

Niet volgens de definitie in het woordenboek natuurlijk. Ik heb een vader. Een man die mij zijn achternaam heeft gegeven. Een man dankzij wie ik onderdeel ben van een bloedlijn waar ik ontzettend trots op ben. Hij is de zoon van mijn lievelingsoma Lotte. Door hem hoor ik bij al die Israëls en Sigtermannen die mij zo dierbaar zijn.

Dat wil ik ook helemaal niet uitwissen.

Maar vader zijn is meer dan een naam doorgeven.
Veel meer.

Voor de buitenwereld

Mijn vader was een mooie man. Zo’n man die gemakkelijk een kamer binnenkwam en mensen voor zich wist te winnen. Charmant, makkelijk in de omgang en altijd in staat om de buitenwereld een bepaald beeld van zichzelf te geven.

Alleen was hij ook net zo makkelijk in zijn trouw.

1979 ben ik nooit vergeten.

Niet omdat het mij geen verdriet deed, maar vooral vanwege het verdriet van mijn moeder.
Ik zag wat het met haar deed.
Zij hield zielsveel van hem.

In 1980 kwam hij weer terug.
Mijn moeder nam hem terug.

Misschien omdat liefde soms sterker is dan verstand.
Misschien omdat je wilt geloven dat iemand kan veranderen.
Misschien omdat je een gezin bij elkaar wilt houden.

Ik weet het niet.
Ik was een kind.

Wat ik wel weet, is dat de jaren daarna niet fijn waren. Er zijn beelden uit mijn jeugd die nooit helemaal verdwijnen.

De klappen. Een gymschoen. Een leren zweep. De losse handjes.
En vooral de angst.

Die angst zat zo diep dat ik ooit, toen mijn moeder naar een kernploegtraining was, de bosjes in vluchtte omdat ik niet naar huis durfde. Ik kwam pas tevoorschijn toen ik zeker wist dat mijn moeder weer thuis was.

Zo bang was ik voor de man die mijn vader moest zijn.

Mensen wisten het.
Mensen zagen het.

Maar het waren andere tijden en blijkbaar konden of durfden mensen weinig te doen.

1983

Achteraf gezien was oktober 1983 misschien wel een van de vreemdste kantelpunten uit mijn jeugd.

Ik werd aan mijn lot overgelaten.
Mijn moeder was in Venezuela.
Mijn vader moest er voor mij zijn.

Maar ’s ochtends kwam hij alleen even naar huis voor schone kleding.
Op tafel liet hij voor mij een briefje van tien gulden achter, voor brood en avondeten.
Daar moest ik het maar mee doen.

Dat klinkt verschrikkelijk en dat was het natuurlijk ook.

Mijn moeder moest knokken om ons overeind te houden. Er waren schulden. Veel schulden.
In de winter van 1983-1984 zaten we zelfs zonder gas in een koud huis.
Mijn moeder heeft bowlingtoernooien moeten winnen om met het prijzengeld openstaande rekeningen te kunnen betalen.
Dat is bijna niet voor te stellen.

Maar 1983 bracht mij vreemd genoeg ook iets anders.
Vrijheid.
Want degene voor wie ik altijd bang was, was niet meer in mijn leven.
Ik kon ademen.

In 1984 kwam met de scheiding de definitieve bevestiging daarvan. Ik hoefde niet meer gedwongen te worden tot iets wat ik niet wilde.

En ergens rond 1986 nam ik zelf de laatste stap.

Ik brak met hem.

Niet omdat iemand mij dat opdroeg.
Juist niet.

Het was mijn beslissing.

En die beslissing staat ongeveer veertig jaar later nog steeds.

Gezien willen worden

Misschien is dat nog wel het pijnlijkste als ik erop terugkijk.

Ik heb het namelijk wel geprobeerd.
Ondanks alles.

Ik heb geprobeerd hem trots op mij te laten zijn. Als kind blijf je dat blijkbaar toch doen. Je blijft zoeken naar dat ene moment waarop iemand naar je kijkt en zegt: goed gedaan, jongen. Je wilt gezien worden. Meer eigenlijk niet.

Maar op een gegeven moment kwam daar bij mij een knakmoment.

Zijn lievelingetje was altijd al voorbehouden aan een ander.

Prima.

Ik hoefde ook niet degene te zijn met wie hij ‘Ik geef je een roosje, m’n roosje, mijn roosje’ zong.
Ik wilde alleen zijn zoon zijn.
Niet de jongen die bang moest zijn voor wat er thuis zou gebeuren.
Niet degene die zich klein moest maken.
Niet degene die moest proberen te voldoen aan iets waarvan hij nooit precies wist wat het was.

Gewoon zijn zoon.
Blijkbaar zat dat er niet in.

Zijn voorkomen naar de buitenwereld leek belangrijker dan wat er achter de voordeur gebeurde. Misschien raakt mij daarom bepaald gedrag vandaag de dag nog steeds. Mensen die vooral bezig zijn met hoe de wereld naar hen kijkt, terwijl ze vergeten te kijken naar de mensen die vlak naast hen staan.

Ik herken het.
Ik heb het eerder gezien.

Gelukkig was er ook een andere wereld

Ik had mijn moeder.
Als zij er was, was het goed.

Mijn moeder was door haar talenten ook vaak weg. Dat hoorde bij haar leven en uiteindelijk ook bij het mijne.

Want wij kregen samen een wereld.
De bowlingwereld.

Eerst als supporter. Later zelf als bowler. Nog later samen trainen, praten, discussiëren en alles wat daarbij hoort. Bowlingbanen zijn voor mij veel meer dan een plek waar aan het einde van een baan tien pins staan.

Het waren veilige plekken.

Net als Estria.
Voetbaltrainingen, wedstrijden, de kleedkamer, het veld.
In het kleine halletje van de friettent van zaal Bardoel.
Even weg.

In mijn Grave-tijd waren dat de werelden waarin ik kon vluchten. En als ik met mijn moeder mee mocht naar een bowlingtoernooi ergens ver van huis, dan was dat misschien wel het mooiste.

Ver van huis.
Ver van mijn vader.
Soms ook even ver van alles wat thuis ingewikkeld was.

Gewoon mijn moeder en ik.

Mijn moeder

En nu is zij er niet meer.
Dat maakt die gedachte van vandaag waarschijnlijk zo ingewikkeld.
Want officieel heb ik nog één ouder.
Op papier.

Maar degene die werkelijk mijn ouder was, degene met wie mijn leven bijna zestig jaar verweven is geweest, is er niet meer.
Mijn lieve moedertje.

Ook zij is in haar leven te vaak in de steek gelaten. Door mijn vader, van wie ze zoveel hield. En veel later opnieuw door de man die, na een moeilijke start, uiteindelijk veel meer mijn maat dan mijn stiefvader werd. Ondanks de liefde die er tot aan het einde van zijn leven was, heeft ook hij haar pijn gedaan.

Ik ben daar boos om geweest. Natuurlijk. Omdat ik zag hoeveel ze van mensen kon houden en hoeveel pijn mensen haar daardoor ook konden doen. Maar de diepste pijn kwam volgens mij niet eens van de mannen in haar leven. Er bestaat namelijk verdriet dat nog veel dieper gaat.

Verdriet dat ontstaat wanneer iemand van wie je onvoorwaardelijk houdt een andere weg kiest. Wanneer de verbondenheid die voor jou zo vanzelfsprekend is, voor de ander blijkbaar niet hetzelfde betekent. Een moeder kan veel verdragen. Ze kan teleurstellingen verwerken, een gebroken huwelijk overleven, schulden afbetalen en zichzelf telkens weer bij elkaar rapen. Maar hoe verwerk je het wanneer juist iemand voor wie je altijd alles hebt willen geven je op een beslissend moment niet ziet staan? Wanneer blijken liefde en loyaliteit niet vanzelfsprekend te zijn?

Ik heb dat verdriet bij mijn moeder gezien.

En misschien was het niet eens alleen het verdriet van wat er gebeurde, maar ook van alles wat ze ervoor over had om de mensen van wie ze hield dicht bij zich te houden. Mijn moeder kon zichzelf daarin soms helemaal wegcijferen. Haar eigen wensen inslikken, haar mening voor zich houden en meegaan in dingen die ze diep van binnen misschien liever anders had gezien.

Niet omdat ze geen eigen wil had.
Integendeel.
Wie mijn moeder kende, weet wel beter.

Maar omdat de liefde voor haar soms zwaarder woog dan haar eigen gelijk.
Alsof ze voorzichtig moest omgaan met iets wat eigenlijk vanzelfsprekend had moeten zijn.
Ze wilde niemand meer verliezen.
En dus slikte ze soms meer dan goed voor haar was.

Het was een pijn die op verschillende momenten in haar leven opnieuw voelbaar werd. Soms openlijk, soms in kleine opmerkingen, soms in de stilte die viel wanneer iets haar weer aan vroeger herinnerde. En misschien is dat wel het verdriet dat mij, naast haar overlijden, nog het meest raakt.

Omdat ik weet hoeveel liefde zij te geven had.
Omdat ik weet hoeveel ze heeft moeten dragen.
En omdat ik haar zo graag juist dat verdriet had willen besparen.

Toch zag ik ook iets anders.
Hoe ze iedere keer weer opstond.
Hoe ze doorging.

Hoe ze in de jaren tachtig desnoods een bowlingtoernooi won om thuis een rekening te kunnen betalen. Hoe ze later opnieuw vocht om haar hoofd boven water te houden. En misschien heb ik daar uiteindelijk wel meer van meegekregen dan ik lange tijd heb beseft.

Dat doorgaan.
Dat vallen en weer opstaan.
Dat zelf je weg zoeken als anderen besluiten een andere kant op te gaan.

Sommige keuzes blijven pijn doen

Van de week ging het gesprek onbewust over verraad. Over de pijn die sommige keuzes bij mijn moeder hebben veroorzaakt.

En ineens kwamen al die gedachten weer boven.
Niet netjes op volgorde.

Een koud huis.
Mijn moeder.
Mijn vader.
Schulden.
Angst.
Bowlen.
Estria.
Mijn stiefvader.

En vooral die ene pijn waarvan ik weet dat ze haar nooit helemaal heeft losgelaten.
Het bijzondere aan verraad is misschien wel dat het niet altijd gaat om wat iemand je aandoet.
Soms gaat het juist om wat iemand nalaat.

Om keuzes waarvan je de gevolgen misschien zelf niet wilt zien, maar die een ander de rest van zijn leven met zich meedraagt.
En soms doet het nog meer pijn wanneer degene die achterblijft, ondanks alles, blijft liefhebben.
Dat heb ik bij mijn moeder gezien.

Daar hoef ik verder niemand bij naam te noemen.
Sommige dingen hoef je niet meer uit te spreken om ze te begrijpen.

Ben ik dan een wees?

Dus nog een keer die vraag.
Mag ik mijzelf een wees noemen?
Volgens het woordenboek waarschijnlijk niet.
Volgens mijn gevoel ligt het ingewikkelder.

Want wanneer verlies je eigenlijk een vader?
Op het moment dat hij sterft?
Of kan dat ook gebeuren wanneer je als kind beseft dat de man die jouw vader hoort te zijn vooral degene is voor wie je bang bent?

Misschien verloor ik mijn vader al ergens tussen 1979 en 1986.
Misschien heb ik daarna alleen nog heel lang een biologische vader gehad.

De haat die ik ooit voor hem voelde, is inmiddels verdwenen.
Gelukkig maar.
Haat verbindt je namelijk ook met iemand.
Misschien zelfs sterker dan je wilt.

Ik haat hem niet meer.
Ik wens hem niets toe.
Maar liefde is er niet en zal er ook nooit meer komen.
En behoefte aan contact?
Nee, ook die is er niet.
Daar zit zelfs geen boosheid meer in.
Het is gewoon klaar.

Ithaka

Een paar dagen geleden schreef ik over mijn Ithaka.

Over de lange reis die mij heeft gevormd. Over omwegen, mensen die kwamen en gingen, mensen die mij hielpen, mensen die ik verloor en de plekken waar ik uiteindelijk thuiskwam.

Misschien hoort dit verhaal daar ook bij.
Want niet iedere afstand in mijn leven voelt als verlies.
Van afstand nemen van bepaalde mensen heb ik geen spijt.
Sommige afstanden geven mij zelfs rust.

Maar niet iedere afstand ontstaat op dezelfde manier.

Soms is er nooit werkelijk een band geweest waarop je kon bouwen. Soms is die band er wel geweest, maar verandert er door de jaren heen zoveel dat je op een gegeven moment moet erkennen dat er iets verloren is gegaan. Niet door één gebeurtenis. Niet door één verkeerd woord. Maar door alles wat zich langzaam heeft opgestapeld.

En misschien is dat laatste nog wel het moeilijkste. Want je kunt de geschiedenis die je samen hebt niet zomaar uitwissen, maar je kunt ook niet doen alsof die geschiedenis alles wat daarna is gebeurd ongedaan maakt.

Ik hoef niet meer gezien te worden door iemand die mij nooit werkelijk zag. Ik hoef niemand meer trots te maken die daar als vader zelf de kans voor heeft laten liggen. Maar ik hoef ook niet iedere band koste wat kost in stand te houden, alleen omdat die er ooit was. Soms verandert er iets in jezelf, waardoor je niet meer terug kunt naar wat vroeger vanzelfsprekend leek.

Niet uit haat.
Niet om iemand pijn te doen.
Maar omdat ook mijn gevoel, mijn grenzen en mijn rust ertoe doen.

Mijn moeder is er niet meer.
Dat doet iedere dag pijn.

Mijn vader leeft nog.
Maar hem ben ik eigenlijk al heel lang geleden verloren.
Of misschien heb ik hem nooit werkelijk gehad.

En toch sta ik hier.

Met mijn geschiedenis. Met mijn naam. Met de mooie bloedlijn die óók van mij is. Met mijn oma Lotte. Met al die mensen uit mijn familie die mij wel dierbaar zijn. Met de herinneringen aan mijn moeder. Met alles wat goed én fout is gegaan.

En vooral met mijn eigen zoon.
Misschien is dat uiteindelijk wel het mooiste antwoord dat ik mijn verleden kan geven.

Ik kan niet veranderen welke vader ik heb gehad.
Maar ik kon wel bepalen welke vader ik zelf wilde zijn.

En ergens tijdens die lange reis heb ik ook geleerd dat familie niet alleen wordt bepaald door bloed, een achternaam of door wat er op een geboorteakte staat.

Familie zit in er zijn.
In zien.
In blijven.
In liefde.

Mijn reis was soms verdomd lang.
Maar in Ithaka voel ik mij goed.
En de mensen die daar niet zijn?
Die hoef ik er ook niet meer naartoe te brengen.