De eerste stappen in de grote mensenwereld (9)

Mijn jeugd – deel 9

Dit is een serie waarin ik schrijf over mijn jeugd, zoals ik die zelf heb beleefd. Alles wat ik hier vertel komt uit mijn herinneringen. Soms scherp, soms vervaagd, maar altijd echt. Het zijn verhalen die mij hebben gevormd. In het goede en in het kwade.

Deze serie is ontstaan omdat ik mijn herinneringen een plaats wil geven. Door ze op te schrijven zie ik opnieuw hoe mijn jeugd eruitzag, hoe ik die toen beleefde en welke momenten mij hebben gemaakt tot wie ik nu ben. Het zijn geen historische reconstructies en geen pogingen om gelijk te halen. Het zijn simpelweg mijn herinneringen, verteld door mijn eigen ogen.

Dit is mijn verhaal.

De eerste stappen in de grote mensenwereld

In 1984 verhuisden we naar Breda. Mijn schooltijd liep langzaam ten einde en voor het eerst begon ik serieus geld te verdienen. Niet met een krantenwijk of een zaterdagbaantje om wat zakgeld bij elkaar te sprokkelen, maar met echt werk. Werk waarbij mensen op je rekenden. Werk waarbij je verantwoordelijkheid kreeg.

Voordat ik aan mijn eerste dienst begon, ging ik met mijn moeder de stad in. Er moest een zwart pak komen. Een wit overhemd. Een vlinderdas. Nette zwarte schoenen en natuurlijk zwarte sokken. Ik weet nog dat ik voor de spiegel stond en mezelf bekeek. Ik zag er ineens ouder uit dan ik me voelde. Achteraf denk ik dat dit waarschijnlijk de laatste keer is geweest dat mijn moeder met mij kleding ging kopen. Niet omdat ze dat niet meer wilde, maar omdat er langzaam iets veranderde. De jongen die jarenlang door haar werd aangekleed, begon zijn eigen weg te vinden.

Een paar dagen later stapte ik op de trein naar Dordrecht. Mijn eerste echte baan wachtte. De Merwehal.

Voor mij was de Merwehal veel meer dan een werkplek. Het enorme complex aan de Baanhoekweg voelde als een kleine wereld op zichzelf. Er was een bowling, een sporthal, een restaurant, verschillende zalen, een barbecuekuil en het Kraaiennest. Overal gebeurde wel iets. Sportwedstrijden, bedrijfsfeesten, bruiloften, televisieopnames, kinderfeestjes. Het gebouw leefde.

Mijn tante Julia werkte er al jaren en had een leidinggevende functie binnen het bedrijf. Mijn ome Han was verantwoordelijk voor de bowlingbanen. Ze woonden zelfs in het gebouw. Op vrijdagmiddag kwam ik vanuit Breda naar Dordrecht. Mijn spullen gingen naar boven, naar hun woning op de eerste verdieping. Tante Julia had meestal iets te eten klaarstaan en daarna begon de werkdag.

Ik voelde me er vrijwel direct thuis.

Dat kwam niet alleen doordat er familie werkte. Op school voelde ik me vaak een buitenbeentje. In de Merwehal was ik gewoon één van de medewerkers. Niemand vroeg naar mijn rapportcijfers. Niemand was geïnteresseerd in mijn schoolprestaties. Als je je werk goed deed, hoorde je erbij. Zo simpel was het.

De eerste maand werkte ik vooral in de partyzalen. Daar leerde ik de basis van het horecavak. Tafels klaarzetten, gasten ontvangen, drankjes uitserveren, opletten, problemen oplossen voordat gasten ze zelf ontdekten. Het klinkt eenvoudig, maar er komt meer bij kijken dan je denkt. Je leert kijken. Je leert luisteren. Je leert mensen lezen.

Mijn eerste grote blunder liet niet lang op zich wachten. Tijdens een avond van de Lee Towers-fanclub wist ik een bord soep over de jurk van een jonge dame te morsen. Ik zie haar gezicht nog steeds voor me. Op dat moment wilde ik het liefst verdwijnen. Achteraf hoort het gewoon bij het leerproces. Iedereen maakt fouten. Alleen zijn sommige fouten beter zichtbaar dan andere.

Wat me vooral fascineerde waren de mensen. De Merwehal trok bezoekers uit heel Zuid-Holland en Brabant. Daar begon ik verschillen te zien. Brabanders maakten vaak een gezamenlijke pot voor de drankjes. “Gewoon aanvullen als het bijna op is.” Geen gedoe. De Dordtenaren waren soms net wat anders. Als het bruidspaar tot tien uur betaalde, stonden bepaalde gasten om vijf voor tien nog snel twee drankjes tegelijk te bestellen. Daarna zag je ze nauwelijks meer terug aan de bar. Ik vond dat soort verschillen prachtig. Niet omdat het beter of slechter was, maar omdat het iets vertelde over mensen.

Na verloop van tijd werkte ik overal binnen het complex. In de bowling begeleidde ik kinderfeestjes. Frietjes en limonade serveren, snacks verzorgen, ijsjes uitdelen en ondertussen proberen de chaos binnen de perken te houden. In de barbecuekuil werkte ik onder André de Jong en later onder mijn tante Julia. De gasten bakten zelf hun vlees op de barbecue in het midden van de tafel en wij zorgden voor de rest. Drankjes, friet, stokbrood, kruidenboter, toetjes en natuurlijk het opruimen achteraf. Van al dat eten kreeg je vanzelf honger. Officieel mochten we niets pakken. In de praktijk vonden we daar natuurlijk creatieve oplossingen voor in het hele kleine hokje waar de afwas stond.

Ook het restaurant werd een belangrijke leerschool. Daar lag het niveau hoger. Veel gasten, families, uitgebreide diners en mensen die rekenden op een lekker maal en een goede service. Daar leerde ik dat gastvrijheid niet alleen gaat over eten en drinken. Het gaat over aandacht. Over het aanvoelen van wat een gast nodig heeft voordat hij er zelf om vraagt. Dat zijn lessen die ik veel later, ook buiten de horeca, nog vaak heb gebruikt.

De Merwehal was bovendien de thuisbasis van verschillende TROS-programma’s. Daardoor liepen er regelmatig bekende Nederlanders rond. Ron Brandsteder, Chiel Montagne en allerlei artiesten die ik normaal alleen van televisie kende. Voor ons waren het gewoon gasten, maar als jonge medewerker keek ik daar natuurlijk wel van op. Het mooiste vond ik misschien nog wel dat Ron Brandsteder regelmatig zat te genieten van het Indische eten van mijn tante. Dat voelde alsof twee werelden elkaar even raakten.

De mooiste momenten kwamen vaak pas als de gasten naar huis waren. De tafels waren afgeruimd, de zalen geveegd, de barren gepoetst en het bestek werd gepouleerd, de glazen gesorteerd en de kassa’s opgemaakt. Daarna zaten we met een wisselende groep collega’s nog even aan de bar. Moe, met pijnlijke voeten, maar tevreden. We praatten na over de avond, lachten om blunders en bespraken de gasten die ons waren bijgebleven. Dat waren de momenten waarop ik merkte dat ik ergens bij hoorde. Niet als leerling. Niet als zoon. Maar als collega.

Na het werk ging niet altijd iedereen naar huis. Regelmatig trokken we nog verder de nacht in. Naar Rotterdam, naar Alcazar in Puttershoek of naar een andere gelegenheid waar de muziek nog draaide. De wereld werd groter. Veel groter dan Grave ooit was geweest.

Als ik nu terugkijk, besef ik dat de Merwehal voor mij veel meer was dan een baan. Daar leerde ik werken. Daar leerde ik omgaan met mensen. Daar leerde ik verantwoordelijkheid dragen. Maar misschien nog belangrijker: daar ontdekte ik voor het eerst dat er een wereld bestond buiten school, buiten thuis en buiten de bowling. Een wereld waarin ik mijn eigen plek mocht vinden.

En zonder dat ik het toen wist, zou die wereld de komende jaren een veel grotere rol in mijn leven gaan spelen dan ik ooit had kunnen vermoeden. Dat verhaal komt nog.