Mijn jeugd – deel 2
Dit is een serie waarin ik schrijf over mijn jeugd, zoals ik die zelf heb beleefd. Alles wat ik hier vertel komt uit mijn herinneringen. Soms scherp, soms vervaagd, maar altijd echt. Het zijn verhalen die mij hebben gevormd. In het goede en in het kwade.
Deze serie is ontstaan omdat ik mijn herinneringen een plaats wil geven. Door ze op te schrijven zie ik opnieuw hoe mijn jeugd eruitzag, hoe ik die toen beleefde en welke momenten mij hebben gemaakt tot wie ik nu ben. Het zijn geen historische reconstructies en geen pogingen om gelijk te halen. Het zijn simpelweg mijn herinneringen, verteld door mijn eigen ogen.
Sommige gebeurtenissen zijn klein, bijna alledaags. Andere hebben diepe sporen nagelaten. Samen vormen ze het verhaal van een jeugd waarin warmte en veiligheid soms dichtbij waren, maar ook momenten van onzekerheid en strijd een rol speelden.
Dit is mijn verhaal.
Als ik terugdenk aan mijn eerste jaren, kom ik altijd uit in de Topaasstraat in Breda.
Daar begon mijn wereld.
Ik ben daar geboren. Daar heb ik leren lopen. En daar stond het huis waar ik als kind altijd naar terug kon. Het huis van mijn oma Lotte. Het was geen groot huis, maar in mijn herinnering voelt het nog steeds als een plek waar alles klopte. Als ik mijn ogen sluit kan ik er nog steeds doorheen lopen. De gang met vloerbedekking. De groene gordijnen. De deur met het glas dat niet doorzichtig was maar verticale lijnen had. De trap naar boven. En de warme kleuren van het houtwerk.
Het huis had iets dat moeilijk uit te leggen is.
Rust.
Als je binnenkwam, was rechts de deur naar de berging. Daar liep een vaste trap naar beneden. Rechtdoor was de keuken. Mijn ooms hadden daar een keukenblok geplaatst met lichtgroene kastjes en laden. Voordat je bij het keukenblok kwam stond daar de kachel. Links in de keuken stond een witte kast. En ergens daar stond ook een klein tafeltje. Daar zat ik vaak. Met een boterham. Die ik in de koffie met suiker en melkte sopte.
Mijn oma was altijd als eerste wakker. Als ik haar beneden hoorde rommelen, ging ik meteen naar beneden. Mijn ouders sliepen meestal nog. Mijn zus ook. Maar ik wilde bij haar zijn.
Ze luisterde naar mij.
Ze stelde vragen.
Ze keek me aan alsof wat ik zei ertoe deed.
We spraken niet over grote dingen.
Niet over spanningen.
Niet over relaties.
We spraken over koetjes en kalfjes.
Maar in dat gewone zat veiligheid.
Als je door de keuken liep kwam je in de serre. Het dak liep schuin naar beneden. Tegen de buitenwand waren bankjes gemaakt met kussens waar je op kon zitten. Daar zaten wij vaak met de kinderen. Aan een tafeltje in die serre heb ik canasta leren spelen.
Vanuit de serre kon je door naar de kamer. Daar stond een ronde tafel met oranje stoelen. Aan die tafel werd gegeten. Maar daar werd ook scrabble gespeeld. En yahtzee.
Links van die tafel zat een klein luikje naar de keuken waar borden en schalen doorgegeven konden worden.
In de voorkamer stond de televisie. Op de tv lag een kleedje dat ik ooit voor mijn oma had geborduurd. Naast de televisie stond een kast met een bruine klok met goudkleurige wijzers. In die kast stonden ook foto’s.
Boven de televisie hing een tekening van mijn opa Otto. Mijn opa Otto heb ik nooit gekend. Hij overleed op 1 september 1966, een jaar voordat ik werd geboren. Maar in dat huis was hij altijd aanwezig.
Het huis in de Topaasstraat was ook de plek waar de familie samenkwam. In de voorkamer zaten de oudere ooms en tantes. Oom Carel, oom Rob, tante Joyce, tante Trude, tante Anneke en mijn oma. In het middendeel zaten de jongere ooms en tantes. Trees, Stefan en Mieke. Daar zaten ook de oudere neven en nichten. De jongste kinderen zaten meestal in de serre.
Het huis was vol.
Altijd.
En toch voelde het nooit druk.
Niet ver daar vandaan lag een andere wereld die ook bij mij hoorde. In de Molukse wijk De Driesprong woonde mijn andere opa.
Opa Adé.
Mijn Molukse opa.
Hij woonde daar met oma Bats, mijn oom Jan, tante Julia en mijn Ome Piet.
Mijn opa had de gewoonte om mij mee te nemen. Zijn oudste kleinzoon. Dan gingen we de hort op. Wandelen, rondrijden, kijken wat er gebeurde in de wereld.
Bij mijn oma Lotte was rust.
Bij mijn opa Adé was beweging.
Twee werelden. En ik hoorde bij allebei.
In die eerste jaren hoorde ook een hond bij mijn wereld. Joepie. Of Joepie een labrador of een golden retriever was weet ik eigenlijk niet meer zeker. Veel van wat ik over hem weet komt uit verhalen van anderen. Maar één herinnering staat nog helder in mijn hoofd. Ik liep met Joepie. Of eigenlijk moet ik zeggen dat Joepie met mij liep.
Ik pakte hem bij zijn halsband en we gingen gewoon op pad. Van de Topaasstraat naar de Hooghout. De poort uit waar het bordje met de naam van mijn opa Otto hing. Rechts door het gangetje en linksaf de Turkooishof in. Schuin over het gras langs het appartementencomplex. Dan langs de winkels. Op de hoek zat de kapper waar mijn moeder wel eens naartoe ging. In het midden zat de bakker waar ik onder de toonbank op een plank zat en koekjes uit een blik kreeg. Verderop zat een drogist waar ik altijd dropjes kreeg.
Dat was mijn eerste wereldkaart.
Een kleine wereld.
Maar groot genoeg voor een jongen.
Tot de dag dat Joepie achter de bus aan rende toen mijn moeder naar haar werk ging. Ik zie hem nog gaan. Zijn poten in volle vaart. De bus werd kleiner. En Joepie kwam nooit meer terug. Het was de eerste keer dat iets uit mijn wereld verdween. Maar zelfs dat verlies speelde zich af tegen de achtergrond van een plek waar ik mij veilig voelde.
De Topaasstraat.
De plek waar mijn leven begon.
