Mijn jeugd – deel 1
Dit is een serie waarin ik schrijf over mijn jeugd, zoals ik die zelf heb beleefd. Alles wat ik hier vertel komt uit mijn herinneringen. Soms scherp, soms vervaagd, maar altijd echt. Het zijn verhalen die mij hebben gevormd. In het goede en in het kwade.
Sommige herinneringen blijven hangen omdat ze een moment vastleggen dat groter is dan het lijkt. Voor mij is dat een bushalte.
Ik sta daar als jongen met een bowlingtas in mijn hand. De bus uit Grave heeft mij net afgezet aan de Sint Annastraat in Nijmegen. Van daaruit is het nog een kwartier lopen naar de bowling. Een kwartier lopen met een bowlingtas voelt langer dan een kwartier. De tas slaat bij iedere stap tegen mijn been. Ik wissel hem van hand. Mijn vingers hebben even rust nodig, maar na een paar meter begint het gewicht weer te trekken en neem ik hem terug.
Dit is mijn zaterdag…
Ik ben op weg naar de bowlingbaan waar mijn ouders thuis zijn. Waar mijn moeder kampioenschappen wint en waar mijn vader voorzitter is. Daar spelen de teams. Daar vallen de pins. Daar kent iedereen elkaar. Maar terwijl ik daarheen loop, weet ik eigenlijk al dat ik zelf nergens echt thuis hoor. Bowling Olround ligt verderop. Binnen staan de banen al te glanzen onder het licht. Daar zal straks Abelino Croes ook zijn. De jongen tegen wie ik opkijk. Hij speelt in mijn team. Zijn zus Laida speelt samen met haar man Jurriaan en Bob Ashby in het team van mijn ouders.
Voor hen is bowlen een sport. Voor mij is het een toevluchtsoord. Want thuis is het anders.
Mijn vader is iemand die mensen kan inpakken. Altijd goed gekleed. Altijd verzorgd. Sinds de jaren zeventig met een permanent krullenkapsel dat hem een zekere uitstraling geeft. In verenigingen is hij iemand die gezien wordt. Iemand die spreekt, organiseert en de leiding neemt.
Maar thuis is hij een andere man.
Daar voel ik vooral afstand. Kou. En soms geweld.
Als kind leer je snel wanneer je beter stil kunt zijn. Wanneer je beter kunt verdwijnen voordat iemand je ziet. Ik was een verlegen jongen. Het liefst onzichtbaar. Schuilend achter mijn moeder. In gezelschap zocht ik de rand van de kamer op. Daar waar niemand iets van je verwacht.
Soms werkte dat. Soms niet.
Ik was bang voor mijn vader. Bang voor de momenten waarop hij ’s avonds thuiskwam van zijn lessen. Ik lag dan in bed en hoopte dat ik al sliep voordat hij boven kwam. Want als hij boos was, kon hij slaan. Om kleine dingen. Of om niets.
De bowlingtas slaat opnieuw tegen mijn been. Ik ben inmiddels halverwege de Sint Annastraat. Het gewicht in mijn hand voelt vertrouwd. Misschien wel het meest vertrouwde gewicht dat ik ken.
Bowlen is een familieding. Mijn moeder is een kampioen. Plaatselijk, regionaal, nationaal, Europees. Zelfs een wereldtitel staat op haar naam. Daardoor zijn we vaak onderweg. Toernooien, wedstrijden, bowlinghallen in verschillende steden.
Maar die wereld voelt anders dan thuis.
Daar is mijn moeder.
Daar is beweging.
Daar is leven.
Thuis is er stilte.
En spanning.
Als ik later terugkijk op mijn jeugd, zie ik eigenlijk twee werelden die voortdurend langs elkaar heen lopen.
De wereld van veiligheid.
En de wereld van dreiging.
De eerste lag vaak bij familie. Bij mijn oma Lotte in de Topaasstraat in Breda. Bij mijn tante Julia. Bij mijn tante Lien en mijn Ome Piet. En bij mijn opa Adé in de Molukse wijk De Driesprong.
Mijn opa had de gewoonte om mij, zijn oudste kleinzoon, gewoon mee te nemen. Dan gingen we de hort op. Wandelen, rondrijden, kijken wat er gebeurde in de wereld. Bij mijn opa Adé voelde ik mij gezien. Bij mijn oma Lotte voelde ik rust. Het huis in de Topaasstraat is nog steeds een plattegrond in mijn hoofd. Ik ken elke deur, elke kleur, elke plek waar iemand zat als de familie bij elkaar kwam. Als ik mijn ogen sluit kan ik er nog steeds doorheen lopen.
Daar begon mijn leven.
Maar mijn jeugd speelde zich op veel meer plaatsen af. Nijmegen. Grave. Bowlingbanen. Voetbalvelden. Busritten met geld op zak om schulden van mijn vader te betalen bij een deurwaarder in Boxmeer. Ik was nog maar een jongen. En toch was ik vaak degene die dingen moest oplossen.
De bowlingbaan komt in zicht. Ik duw de deur open en stap naar binnen. De geur van olie op de banen. Het geluid van vallende pins. Het geroezemoes van mensen die elkaar kennen. Hier kan ik even ademhalen. Ik zet mijn bowlingtas voor het ballenrek en kijk naar de banen. Dit is een plek waar ik mezelf kan zijn. Maar ergens weet ik ook dat ik straks weer naar buiten moet. Terug naar de wereld waar mijn jeugd zich echt afspeelt. Een wereld waarin een jongen probeert te begrijpen waar hij thuishoort.
Tussen twee werelden…
