Edinburgh, de Tattoo en een paar onverwachte herinneringen

Soms begint een weekend eigenlijk al voordat je op je bestemming bent aangekomen.

Samen met mijn Optimadata collega’s vloog ik op 28 augustus vanaf Schiphol naar Edinburgh. Cadeautje van de baas, want Optimadata bestaat alweer 10 jaar. Zo’n reis heeft ook een voordeel dat eigenlijk helemaal losstaat van de bestemming. Je zit ineens naast of tegenover collega’s die je tijdens een normale werkweek eigenlijk niet spreekt, want we gaan ieder ons weegs bij dezelfde werkgever. Natuurlijk kom je elkaar tegen tijdens events, maar in het dagelijkse werk hebben we helemaal niets met elkaar van doen.

Zo zat ik tijdens de vlucht van Schiphol naar Edinburgh naast Tino en ontstond er vanzelf een leuk gesprek. En dan helpt het natuurlijk als blijkt dat je een belangrijke passie deelt:

Drie gouden sterren. Ajax Amsterdam. De mooiste club. Van Nederland.

Al werd tijdens het gesprek ook vrij snel duidelijk dat er collega’s in ons gezelschap waren die van alleen die gedachte al bijna onpasselijk werden.

Het zou niet het laatste goede gesprek van het weekend worden. Soms gingen die gesprekken over het werk en de oude tijden van de Informatievoorziening. Over de jaren tachtig, hoe we vroeger met data omgingen en er nog heel veel kon zonder alle compliance-regels en beperkingen die tegenwoordig vanzelfsprekend zijn. Mooie gesprekken voor iemand die die wereld nog heeft meegemaakt.

Maar uiteindelijk waren het vooral de persoonlijke gesprekken die mij bijbleven. Omdat tijdens zo’n reis achter de collega die je normaal vooral van het werk kent ook de persoon tevoorschijn komt. Ik ga ze niet allemaal terughalen of hier uitgebreid herhalen. Sommige gesprekken horen ook gewoon bij het moment. Maar fijn waren ze wel.

Na aankomst reden we eerst naar The Adamson Hotel bij Dunfermline, onze uitvalsbasis voor het weekend. Even inchecken, spullen achterlaten en daarna weer verder. Edinburgh wachtte.

Met Jesse door Edinburgh

We werden afgezet op George IV Bridge, de plek waar we later die avond ook weer zouden worden opgehaald. Een naam die doet vermoeden dat je op een brug staat, maar in werkelijkheid is het vooral een straat die hoog boven delen van de oude stad loopt.

In de middag trok ik vooral op met Jesse, een jonge collega van 22. Hij had vooraf een aantal plekken uitgezocht die hij graag wilde zien en dus liet ik mij eigenlijk een beetje door hem door Edinburgh leiden.

Een van die plekken was Greyfriars Kirkyard, de oude begraafplaats midden in de stad.

Een bijzondere plek waar je tussen eeuwenoude grafstenen en monumenten rondloopt en waar vooral het verhaal van Greyfriars Bobby bekend is. Bobby was een Skye terriër die na het overlijden van zijn baasje John Gray jarenlang bij diens graf zou zijn gebleven. Volgens het bekende verhaal waakte hij daar veertien jaar, totdat hij in 1872 zelf overleed.

Hoeveel daarvan in de loop der jaren misschien wat geromantiseerd is, doet voor mij eigenlijk weinig af aan het mooie verhaal over de trouw van een hond aan zijn baas.

Ook voor Harry Potter-fans valt er op Greyfriars genoeg te ontdekken. Tussen de grafstenen staan namelijk een paar opvallend bekende namen. Zo vind je er Thomas Riddell, wat onmiddellijk doet denken aan Tom Riddle, en ligt ook William McGonagall hier begraven. Of J.K. Rowling deze namen daadwerkelijk als inspiratie heeft gebruikt, is nooit bevestigd, maar leuk is het natuurlijk wel.

Naar beneden en weer omhoog

Daarna gingen we verder de stad in.

Wat mij al snel opviel aan Edinburgh waren de enorme hoogteverschillen. Je denkt dat je gewoon door een stad loopt, maar steeds opnieuw duikt er tussen twee gebouwen een smalle doorgang op, met daarachter een trap naar boven of beneden.

Een mooi voorbeeld daarvan was Advocate’s Close.

De eerste keer kwamen we vanaf de hoge kant en moesten we de ingang zelfs even zoeken. Het is niet veel meer dan een heel smal poortje tussen de gebouwen. Daarachter bleek ineens een flinke trap naar beneden te liggen. Dus naar beneden. Nog geen uur later kwamen we opnieuw bij Advocate’s Close terecht, maar nu vanaf de andere kant. Wat eerder naar beneden ging, moest nu dus weer omhoog.

De zweetdruppels op ons voorhoofd en het klamme gevoel maakten wel duidelijk dat omhoog altijd een stuk pittiger is dan naar beneden. Halverwege maakten we een tussenstop bij The Devil’s Advocate, dat mooi verscholen in de close ligt. Even zitten, wat drinken en bijkomen van de kilometers en hoogtemeters die we inmiddels hadden gemaakt.

Daar maakte ik ook kennis met Irn-Bru, de feloranje Schotse frisdrank die hier bijna bij het straatbeeld lijkt te horen. Het zou bepaald niet mijn laatste Irn-Bru van het weekend worden.

Zo bleven Jesse en ik meters maken. Naar beneden, weer omhoog, door smalle steegjes en telkens met andere uitzichten over de stad. Edinburgh bleek zo’n stad waar je soms gewoon een poortje in moet lopen om te ontdekken waar je uitkomt.

Even helemaal niets

Vlak voordat we zouden gaan eten bij The Beehive Inn, vonden Jesse en ik bij Granny’s Green een mooi plekje op de heuvel onder Edinburgh Castle. Na al dat wandelen was het tijd om gewoon even te zitten. Mensen kijken. En zelfs als je niets doet, gebeurt er genoeg. Zo zagen we hoe verschillende auto’s met veel misbaar werden weggesleept omdat ze verkeerd geparkeerd stonden. Dit was de uitvalsweg voor de Marching bands van alle uithoeken van de wereld aan het einde van avond als de Royal Edinburgh Military Tattoo er voor vandaag weer opzat.

Terwijl we daar zaten, ontdekten we aan de overkant tussen de huizen alweer zo’n smalle doorgang.
En natuurlijk zat daar weer een trap achter.
Omhoog deze keer.
Jesse besloot te gaan kijken.
Ik vond het vanaf Granny’s Green eigenlijk wel even goed.

Even later kwam hij terug met de mededeling dat je vanaf boven een prachtig uitzicht had op Edinburgh Castle.
Ik heb hem maar op zijn woord geloofd.
Na alle kilometers en trappen vond ik het uitzicht vanaf mijn eigen plekje op dat moment ook prima.
Daarna was het tijd om te eten bij The Beehive Inn. Ik koos voor een stevige Schotse maaltijd, een soort stoofgerecht met steak.
Precies wat er na zo’n middag wandelen wel in ging.
En toen moest het belangrijkste gedeelte van de dag eigenlijk nog beginnen.

Kleurrijk richting de Tattoo

Na het eten liepen we vanaf Grassmarket richting Victoria Street.
En dat is weer zo’n straat waardoor Edinburgh je blijft verrassen.
Victoria Street loopt in een mooie bocht omhoog vanaf Grassmarket richting George IV Bridge. Wat mij vooral opviel waren de kleurrijke pandjes. Geel, blauw, rood, groen; allemaal naast elkaar en ieder met een eigen uitstraling.
Na al het grijze natuursteen en de oude gebouwen die zo kenmerkend zijn voor Edinburgh, sprongen die kleuren er echt uit.
Ik heb me er onderweg echt even over verwonderd.

Ook hier zie je weer die bijzondere hoogteverschillen van Edinburgh. Je begint beneden op Grassmarket, loopt door de gebogen Victoria Street omhoog en komt uiteindelijk op een heel ander niveau van de stad terecht. Boven kwamen we weer uit op George IV Bridge, precies de omgeving waar onze wandeling eerder die middag was begonnen. Vanaf daar liepen we terug richting Lawnmarket, het bovenste gedeelte van de Royal Mile.

En daar begon de sfeer langzaam te veranderen.
Waar we eerder nog gewoon door Edinburgh liepen, kwamen nu steeds meer mensen om ons heen die allemaal hetzelfde doel hadden.
Edinburgh Castle.
De Esplanade.
De Royal Edinburgh Military Tattoo.

Via Lawnmarket gingen we verder en uiteindelijk sloten we aan bij de wachtrij via Johnston Terrace.
Daar werd pas echt duidelijk hoeveel mensen die avond precies hetzelfde plan hadden als wij.

Met de kudde omhoog

Langzaam sloten we aan bij de enorme stroom bezoekers richting het kasteel.
Bij de kerk moesten verschillende stromen mensen bij elkaar komen en invoegen.
Op sommige plekken was het zo druk dat we hutje-mutje op de gedeelde vierkante meter stonden.
Toch ging het allemaal opvallend gemoedelijk.
Gemoedelijker zelfs dan bij binnenkomst bij menig voetbalstadion.

Uiteindelijk duurde het helemaal niet zo lang voordat we binnen waren. En onderweg was er voldoende tijd om nog even een officieel programmaboekje van de Tattoo te scoren. Aan het einde van de route liepen we onder de tribunes door de Esplanade op.

En daar lag het ineens voor ons.
Het prachtig verlichte Edinburgh Castle.
En daar sta je dan.

Eindelijk bij de Tattoo

De Royal Edinburgh Military Tattoo had ik natuurlijk al vaak op televisie gezien. En ook meer dan eens had ik tegen mezelf gezegd dat ik daar ooit een keer zelf op de tribune wilde zitten.

Nu stond ik er daadwerkelijk.
Dat was toch wel even een bijzonder moment.

“Tattoo klinkt op en top Engels, maar de oorsprong ligt verrassend genoeg bij ons eigen Nederlandse ‘tap toe’: het teken dat de tap dicht moest en de soldaten terug naar hun kwartieren moesten. Van ‘tap toe’ naar Tattoo.”

Voordat de voorstelling begon, hing er een opvallend ontspannen sfeer. Een aantal deelnemers aan de Tattoo liep gewoon tussen het publiek en de karren met versnaperingen door. Even later zouden ze onderdeel zijn van een enorm spektakel, maar op dat moment stonden ze nog gewoon tussen ons in.

Nog een leuk detail ontdekte ik achteraf. De stem die die avond het verhaal van A Call to Gather aan elkaar praatte, was die van de Schotse acteur Richard Rankin.

Voor mij bepaald geen onbekende naam, want in Outlander speelt hij Roger MacKenzie. Zo liep een serie waarvan ik de boeken heb gelezen en die ik volg opeens ook door mijn avond bij de Tattoo heen.

De Esplanade zelf was kleiner en vooral smaller dan ik me door de televisiebeelden altijd had voorgesteld.
Maar wat daar vervolgens werd neergezet, was een indrukwekkend muziekspektakel.
Marching bands, muzikanten, solisten en zangers uit verschillende delen van de wereld trokken voorbij. Groot-Brittannië en de RAF natuurlijk, maar ook deelnemers uit onder andere Qatar, Nieuw-Zeeland, de Verenigde Staten en Duitsland.

En niet alles gebeurde op de grond.
Op een gegeven moment kwamen met enorm veel herrie.
Twee RAF-gevechtsvliegtuigen laag over Edinburgh Castle en onze hoofden scheren.
Het ging razendsnel.
Je hoorde ze, keek omhoog en daar waren ze.
Zo dichtbij dat het bijna voelde alsof je ze kon aanraken.

Traditionele Schotse muziek werd afgewisseld met muziek die ik op heel andere manieren herkende. Zelfs muziek die me deed denken aan The Lord of the Rings en de Uruk-hai kwam voorbij. Maar er gebeurde die avond nog iets anders.

Een paar noten zijn soms genoeg

Tussen al die muziek zaten ineens nummers en melodieën die me terugbrachten naar vroeger.

Etta James. My Way. Thunderbirds. Over There. The Skye Boat Song.

Muziek uit de jaren zeventig.
En ineens gingen mijn gedachten vanzelf terug naar mijn jeugd en de bowlingtijd in Nijmegen.
En naar mijn moeder.
Dat had ik vooraf natuurlijk niet bedacht toen we daar gingen zitten.

Je reist met je collega’s naar Schotland, loopt een middag met een 22-jarige collega door Edinburgh, drinkt voor het eerst Irn-Bru, maakt kilometers door steegjes en over trappen, loopt met een hele menigte richting de Esplanade en gaat ’s avonds naar een groot internationaal muziekspektakel.

En dan zijn het uiteindelijk een paar noten van een bekend liedje die je ineens tientallen jaren terugbrengen.
Juist dat maakte de Tattoo voor mij meer dan alleen een indrukwekkende show.

Het werd onverwacht ook een avond vol herinneringen.
Aan vroeger.
Aan Nijmegen.
Aan mijn Breda, met haar taptoes op het Kasteel van Breda.
En natuurlijk aan mijn moeder.
Mijn lieve moedertje.

Edinburgh en de Tattoo hadden daarmee in ieder geval één ding voor elkaar gekregen:
Hier wil ik nog een keer terugkomen.

Met de kudde weer naar beneden

Na afloop daalden we als een gigantische kudde flabbergaste Tattoo-bezoekers weer af richting George IV Bridge.
Daar werden we opgehaald voor de rit terug naar het hotel.

Onderweg en gedurende het weekend zouden nog meer van die gesprekken met collega’s volgen. Soms over het vak, soms over vroeger, maar gelukkig nog veel vaker gewoon over het leven. Gesprekken waarin de persoon achter de collega wat meer zichtbaar werd.

Misschien is dat uiteindelijk ook een van de mooie kanten van zo’n weekend samen: je komt voor Edinburgh en de Tattoo, maar neemt ongemerkt ook een paar mensen wat beter mee naar huis.

Eenmaal op mijn kamer kon ik de dag en vooral de Royal Edinburgh Military Tattoo nog eens rustig laten bezinken.
Het kan bijna niet anders dan dat ik die avond met een mooi deuntje in mijn hoofd en een lach op mijn gezicht in slaap ben gevallen.
En Edinburgh?
Daar was ik nog lang niet klaar mee.