Schotland smaakt naar meer…

Na een goede nachtrust stond er in het hotel een stevig en goed ontbijt voor ons klaar. Daarna vertrokken we voor een heel ander stukje Schotland. Geen grote stad en geen Tattoo dit keer, maar een tocht langs drie bijzondere plekken en uiteindelijk de Schotse kust.

Vanuit Dunfermline reden we door het Schotse binnenland naar de M90 en vandaar verder noordwaarts richting Perth, de vroegere hoofdstad van Schotland. Onze eerste bestemming van de dag was Scone Palace. En daar kom je meteen terecht in een flink stuk Schotse geschiedenis.

Scone Palace en de Stone of Destiny

De familie Murray is al eeuwen verbonden met Scone, maar de geschiedenis van deze plek gaat nog veel verder terug. Hier werden de Schotse koningen gekroond, waarbij de beroemde Stone of Scone, ook wel de Stone of Destiny, een belangrijke rol speelde. Bij Scone Palace ligt tegenwoordig een replica. De originele steen werd eeuwen geleden door de Engelsen meegenomen en is inmiddels weer terug in Schotland. Sinds 2024 ligt hij in het Perth Museum.

Eenmaal aangekomen gingen we eerst het paleis zelf binnen. En dan loop je zo’n historisch Schots paleis binnen en gebeurt er iets wat eigenlijk niet beter bij mijn weekend had kunnen passen.

Je ontkomt gewoon niet aan Ajax

Bij binnenkomst werd ik namelijk ontvangen door twee gebeeldhouwde hoofden die mij aankeken en mij gelijk een warm gevoel gaven. Twee afbeeldingen van de god Ajax, die eruitzagen alsof ze zo uit het logo van ONS ALLER AJAX waren ontsnapt. Puntgaaf en ouder dan ons logo. Zou de ontwerper van ons logo hier soms ook zijn geweest? Je zou het toch bijna denken.

Zo begin je de eerste dag naast Tino in het vliegtuig met een gesprek over drie gouden sterren en Ajax Amsterdam en word je een dag later bij het eerste Schotse paleis alweer begroet door Ajax. Het kan bijna geen toeval zijn.

In het paleis mag overigens niet worden gefotografeerd of gefilmd. Dat had ik bij binnenkomst nog niet helemaal in de gaten, waardoor ik de twee Ajax-hoofden en een stukje van de eerste zaal gelukkig toch nog op beeld heb staan. Soms zit onwetendheid gewoon even mee.

Twee Queens en één nachtje slapen

Die eerste zaal was de Dining Room, waar we onder andere het verhaal hoorden over het bezoek van Queen Victoria en prins Albert in 1842.

Hun komst was al twee jaar van tevoren bekend en dus werd werkelijk alles voorbereid voor die ene overnachting. Van speciale stoelen en servies tot de plek waar Victoria aan tafel zat. Volgens het verhaal dat ons werd verteld, was ze bovendien bang voor brand en wilde ze daarom op de begane grond slapen, zodat ze indien nodig snel naar buiten kon.

Het zijn juist dat soort kleine verhalen die zo’n paleis voor mij tot leven brengen.

Even later kwam ook Queen Charlotte voorbij. Die naam kende ik natuurlijk vooral uit Bridgerton en Queen Charlotte. In de Drawing Room hangen kroningsportretten van haar en koning George III. En dan realiseer je je ineens dat iemand die je vooral uit een Netflix-serie kent natuurlijk gewoon onderdeel is van de echte geschiedenis. Dat vond ik een leuke schakel.

Een beetje Downton Abbey

Het bezoek aan het paleis brengt je terug naar vroeger. Naar de adel, de rijkdom en vooral de verwevenheid van de Engelse en Schotse geschiedenis. Ook de familie Murray speelde daarin eeuwenlang een rol. Een familie met banden met de Jacobieten, maar waarvan William Murray het uiteindelijk schopte tot Lord Chief Justice van Engeland en in 1776 werd verheven tot Earl of Mansfield.

De trots, de verzamelingen, het porselein van overal en nergens. De kamers waren gigantisch en zelfs de sporen van de Tweede Wereldoorlog waren nog zichtbaar. Het paleis werd in die tijd gebruikt als meisjesschool en na een brand ontstond door het bluswater schade aan de oude zijden wandbekleding. Het oude orgel op een soort overloop, de kleinere kamers aan een smalle gang… Ik vond het prachtig. Indrukwekkend ook. Het wakkerde mijn interesse in vroegere tijden en geschiedenis alleen maar verder aan. Dit was echt iets voor mij: hier rond mogen lopen en de geschiedenis gewoon opsnuiven.

Minstens zo leuk vond ik het gedeelte beneden, waar vroeger vooral het personeel zijn werk deed.
Daar veranderde de wereld ineens.
Geen grote ontvangstruimtes, deftige eetkamers en koninklijke pracht, maar kleine, smalle gangen en ruimtes.
Hier bewoog het personeel zich door de smalle gangen en zorgde ervoor dat boven alles bleef draaien.
Als je daar beneden loopt, waan je je bijna in een aflevering van Downton Abbey.
Alsof Mr. Carson of Mrs. Hughes ieder moment om de hoek kan komen.
En Mrs. Patmore in de keuken alvast mijn scone staat klaar te maken.

Juist dat contrast vond ik mooi. Boven zie je hoe de bewoners en hun belangrijke gasten leefden, terwijl je beneden ineens beseft hoeveel mensen er nodig waren om dat leven überhaupt mogelijk te maken.

En Scone is niet alleen geschiedenis. Alexander David Mungo Murray, de 9e Earl of Mansfield, woont samen met zijn vrouw nog altijd op het landgoed. Dat kreeg ik even later zelfs heel toevallig bevestigd.

Een scone bij Scone

Na mijn rondgang was het tijd voor iets dat je bij een bezoek aan Scone natuurlijk moeilijk kunt overslaan: een scone.
In de Old Servants’ Hall Coffee Shop haalde ik een heerlijke scone en inmiddels bijna vanzelfsprekend ook weer een Irn-Bru.
Met mijn buit liep ik naar de binnenplaats en sloot daar aan bij enkele collega’s die er al zaten.
En wie kwam daar enige tijd later doodgemoedereerd binnenlopen om zelf een kop koffie te drinken?
Juist… de 9e Earl of Mansfield.

De man over wiens familiegeschiedenis we kort daarvoor nog van alles hadden gehoord, kwam gewoon even een kop koffie drinken. Niet als onderdeel van een officiële ontvangst. Gewoon omdat dit zijn thuis is. Eigenlijk maakte juist zo’n klein moment het bezoek extra leuk.

Daarna bleef helaas nog maar weinig tijd over voor de tuinen en het enorme landgoed rond Scone Palace. Toch heb ik nog snel een rondje kunnen maken, wat foto’s geschoten en vooral ook even stilgestaan bij de schoonheid van de plek.

Een prachtig paleis.
Veel groen.
Historie overal om je heen.
En ONS ALLER AJAX bij de voordeur.
Een prima eerste stop van de dag.

Falkland

Van Scone naar Falkland was het vervolgens niet zo heel lang rijden. Veel tijd kregen we daar niet: ongeveer een uur. Joke adviseerde ons om in het dorp eerst iets te gaan eten, want een goede bodem voor de whiskyproeverij was wel aan te raden. Dat was waarschijnlijk verstandig advies. Alleen stond daar dus Falkland Palace. En dan verlies ik het met mijn liefde voor geschiedenis, oude paleizen én de boeken en serie van Outlander vrij gemakkelijk van mijn verstandige voornemen om eerst iets te eten.

Falkland zelf vond ik trouwens meteen een prachtig dorp. Kleurrijk, oud en sfeervol. Zo’n plaats waar je gemakkelijk langer rond zou kunnen lopen dan het uur dat wij ervoor hadden gekregen. Maar mijn aandacht ging naar het paleis.

Falkland Palace was ooit een geliefd buitenverblijf van de Schotse Stuart-koningen en -koninginnen. Ook Mary, Queen of Scots kwam er graag om te jagen, met haar valken op pad te gaan en zelfs te tennissen op de tennisbaan die daar nog altijd ligt. Binnen ging mijn route eerst helemaal naar boven en daarna langzaam weer naar beneden. Een gedeelte bestaat uit de Keeper’s Apartments. Delen van het gebouw zijn dus ook daadwerkelijk als woonruimte gebruikt en ingericht.

Je loopt langs slaapkamers en andere privévertrekken, maar ook langs ruimtes waarin de koninklijke geschiedenis van het paleis zichtbaar wordt. De Chapel Royal vond ik bijvoorbeeld erg mooi. Daar realiseer je je toch even dat Schotse koningen en koninginnen hier daadwerkelijk hebben rondgelopen. Er is een slaapkamer, een badkamer, woonvertrekken en beneden kun je tot in de oude kelders komen. Alles is mooi aangekleed en zo ingericht dat je je kunt voorstellen hoe het paleis er vroeger uitzag.

Mooi, zonder twijfel.
Maar na Scone Palace legde Falkland het voor mij toch een beetje af. Scone had simpelweg meer indruk op mij gemaakt.
Misschien kwam dat ook doordat ik nauwelijks tijd had om alles echt rustig te bekijken. Drie kwartier was voorbij voordat ik er erg in had.
En juist hier had ik eigenlijk meer tijd willen hebben vanwege een andere oude bekende van mij: Outlander.

Ineens loop je door Outlander

Het dorp Falkland werd voor de serie gebruikt als Inverness. In het eerste seizoen stelt het dorp het Inverness van 1946 voor, waar Claire en Frank na de oorlog verblijven. De fontein midden in het dorp is zelfs de plek waar Jamie’s geest in een van de bekendste scènes aan het begin van de serie naar Claire staat te kijken.

En het bleef niet bij het dorp. En het bleef niet bij het dorp. Ook Falkland Palace zelf werd voor Outlander gebruikt. In seizoen 2 werd een van de kelders omgebouwd tot een apotheek waar Claire medische middelen probeert te krijgen. Daar was ik dus gewoon doorheen gelopen. Met mijn liefde voor de boeken en de serie had ik daar graag nog wat uitgebreider bij stilgestaan, maar de klok werkte niet mee. Eenmaal buiten wilde ik in ieder geval nog één ding zien.

In de tuin van Falkland Palace ging ik op zoek naar de grote, uit wilgentakken gevlochten vrouwenfiguur die ik daar wist te staan.
Daarvoor moest ik nog wel een stukje van het paleis vandaan lopen, maar uiteindelijk vond ik haar: de Willow Queen, een prachtige gevlochten voorstelling van Mary, Queen of Scots, met een vogel op haar hand die ze hoog in de lucht houdt.

Zo midden in het groen vond ik het echt een mooie verschijning. En eigenlijk paste ze perfect bij deze plek. Mary verbleef immers graag op Falkland Palace en hield onder andere van de valkerij.

Natuurlijk moest daar nog even een foto van worden gemaakt.

Foto gemaakt.
Op de klok gekeken.
En toen moest ik mij alweer richting de bus haasten.
Wel gewoon op tijd, overigens.

Alleen had Joke dus gelijk gekregen.
Van eten was helemaal niets meer gekomen.

Gelukkig had ik bij Scone Palace nog een extra scone ingeslagen. Blijkbaar had ik ergens toch een vooruitziende blik gehad. En voor de zekerheid sloeg ik in de winkel van Falkland Palace ook nog twee flessen Irn-Bru in.

Een scone en twee Irn-Bru’s.
Niet direct de meest uitgebalanceerde Schotse lunch, maar voldoende om in ieder geval een bodem te leggen.
En dat leek me verstandig.
Want onze volgende bestemming was Lindores Abbey Distillery.
Daar zouden we whisky gaan proeven.

Vijfhonderd jaar wachten op een nieuwe whisky

Van Falkland reden we verder naar Newburgh, waar aan Abbey Road de Lindores Abbey Distillery ligt.
Na paleizen, koningen, koninginnen, Ajax en Outlander werd het tijd voor weer een ander stukje Schotland.
Whisky.
En achteraf was ik maar wat blij met die extra scone.

Lindores is eigenlijk een bijzondere combinatie van heel oud en behoorlijk jong. De huidige distilleerderij maakt namelijk pas sinds 2017 weer whisky en bracht in 2021 haar eerste single malt uit.. Maar het verhaal dat ze aan hun whisky kunnen verbinden, gaat meer dan vijfhonderd jaar terug. Aan de overkant van Abbey Road liggen de resten van Lindores Abbey. Daar werd volgens de oudste bewaard gebleven schriftelijke vermelding al in 1494 Aqua Vitae gemaakt, het ‘water des levens’ en een voorloper van wat wij tegenwoordig whisky noemen.

We kregen het verhaal te horen dat in 1494 in opdracht van koning James IV mout naar Brother John Cor werd gestuurd om Aqua Vitae te maken. Dat geldt als de oudste schriftelijke vermelding van de productie van whisky in Schotland. En juist de verbinding met Falkland vond ik leuk. We kwamen daar immers net vandaan en ook historisch liggen die twee plekken dicht bij elkaar.

De abdij zelf heeft de eeuwen niet ongeschonden doorstaan. Tijdens de Schotse Reformatie werd ze geplunderd en grotendeels verwoest. Een beetje vergelijkbaar met wat wij in Nederland kennen van de Beeldenstorm. Daarmee zit er uiteindelijk een gat van ruim vijfhonderd jaar tussen de monniken die hier Aqua Vitae maakten en de moderne distilleerderij die het verhaal weer heeft opgepakt.

Een flinke historische brug dus.
Maar wel een mooie.

Van graan naar vat

Tijdens de rondleiding kregen we een goede uitleg over het hele proces om whisky te maken. Van graan en water, via de verschillende stappen in de distilleerderij, tot uiteindelijk de drank die jarenlang in een houten vat ligt te rijpen. Vooral dat rijpen vond ik interessant.

Er worden onder andere vaten gebruikt waarin eerder bourbon, sherry, port of wijn heeft gezeten. Die vaten geven allemaal weer iets van hun eigen karakter en smaak af aan de whisky. En soms blijft het daar niet bij.

Een whisky kan na een eerste rijping worden overgeheveld naar een ander type vat om tijdens het laatste deel van het rijpingsproces weer andere smaken mee te krijgen. Naast whisky wordt bij Lindores ook Aqua Vitae gemaakt, waarmee de verbinding met het oude verhaal van de abdij natuurlijk helemaal rond is.

Voor iemand die zelf nauwelijks whisky drinkt, was het allemaal best interessant om te zien en te horen.
Maar ja…
Uitleg is één ding.
Uiteindelijk moest er natuurlijk ook geproefd worden.

Eén ding weer bevestigd

Aan het einde van de rondleiding stonden verschillende whisky’s en ook de Aqua Vitae voor ons klaar.
De eerste whisky hoefde ik eigenlijk alleen maar te proeven om hem meteen naar mijn hoofd te voelen stijgen.
Dat beloofde wat.
De tweede was een stuk milder en nog enigszins te drinken.
En toen kwam de Aqua Vitae.
Tranen trekkend.
Letterlijk.

Daarmee werd tijdens deze rondleiding vooral iets bevestigd wat ik eigenlijk al wist:
Dit soort dranken zijn gewoon niet aan mij besteed.
Ik vond het verhaal, de geschiedenis en het proces achter de whisky veel interessanter dan het drinken ervan.
Maar dat maakt zo’n bezoek niet minder leuk.

Sterker nog, juist doordat we eerder die dag nog door Falkland Palace hadden gelopen en vervolgens bij Lindores terechtkwamen, begonnen sommige stukjes Schotse geschiedenis ineens mooi in elkaar te grijpen.

Daarna was het tijd voor onze volgende stop. Richting de kust.

Dat was dus de Schotse kust

Na al het moois dat we die dag hadden gezien, had ik van onze volgende stop eigenlijk ook wel wat verwacht.
We reden naar Kirkcaldy, aan de Schotse kust.
Een kustplaats, een boulevard, misschien een beetje sfeer en natuurlijk ergens een plek om wat te drinken.
Nou…
De boulevard was doodsaai.
Er was eigenlijk helemaal niets te zien.
Dat viel dus behoorlijk tegen.

We liepen wat rond en vroegen ons op een gegeven moment vooral af waar we in hemelsnaam iets konden gaan drinken.
Dus de telefoon erbij.
Even zoeken.
Uiteindelijk vonden we Abbotshall en moesten we vanaf de kust een stukje landinwaarts en omhoog lopen.
Daar was het gelukkig iets gezelliger.

Het was behoorlijk druk, maar buiten vonden we op het terras aan een grote tafel een plek. Tijd om even te zitten, na te praten over de dag en wat te drinken. En wat drink je dan na een bezoek aan een whiskydistilleerderij in Schotland? In mijn geval natuurlijk gewoon weer een Irn-Bru. Wij maakten het zelf gezellig en uiteindelijk hebben we er prima gezeten.

Maar Kirkcaldy zelf?
Daar hadden we toch echt wat meer van verwacht.
Niet iedere stop kan blijkbaar Scone Palace, Falkland of Edinburgh zijn.

De laatste avond

Daarna reden we terug naar het hotel.

Even tijd om bij te komen en later op de avond weer gezamenlijk aan tafel.
Ook deze keer was het eten weer heerlijk. Eigenlijk hadden we wat dat betreft in Schotland nog weinig te klagen gehad.
Na het eten gingen enkele collega’s nog een biertje drinken.
Voor mij was het mooi geweest.

Ik was voldaan van het eten, de dag en eigenlijk van het hele weekend en ging terug naar mijn kamer.
En dan verandert zo’n moment toch een beetje.
Overdag ben je met collega’s op pad. Je praat, lacht, kijkt om je heen en bent voortdurend bezig.
Op je hotelkamer ben je ineens alleen.

En dan gingen mijn gedachten vanzelf weer even naar Nederland.
Naar thuis.
En naar mijn moeder.
Na Edinburgh en de muziek van de Tattoo was ze ook deze dag nooit echt ver weg geweest.

Maar er was ook een fijne gedachte:
Nog één nachtje slapen.
En dan weer naar huis.
Terug naar mijn Angela en David.

Epiloog – Naar huis

Zondagochtend werd ik lekker uitgerust wakker.
Om half tien nog een goed ontbijt en om half elf stond de bus klaar voor de rit naar het vliegveld.
Onderweg kregen we nog een klein stukje van Dunfermline mee. De plaats waar we het hele weekend hadden geslapen, maar waar we eigenlijk nauwelijks iets van hadden gezien.
En toen richting Edinburgh Airport.

Daar kwam de Tattoo onverwacht nog één keer voorbij.
Op het vliegveld zagen we namelijk Constable Sukhvinder Singh Sunger van de Vancouver Police Department.
Hij was een van de opvallende verschijningen tijdens de Tattoo.
Dde eerste Sikh Drum Major met tulband die de traditionele march-out op The Black Bear had geleid.
En daar stond hij nu gewoon op het vliegveld, klaar voor zijn reis terug naar Canada.

Voor hem alleen een iets langere terugreis dan voor ons.
Dachten wij op dat moment tenminste.

Want ook voor ons zou de reis naar huis nog wat langer gaan duren dan gepland.
Het was tijd om naar huis te vliegen.
Tenminste, dat was de bedoeling.

Op het vliegveld ontstonden problemen waardoor we niet op tijd konden boarden.
Wachten dus.
En nog wat langer wachten.

Uiteindelijk vertrokken we bijna drie uur later dan gepland.
Onderweg werd die vertraging niet meer goedgemaakt.
Toen we uiteindelijk op Schiphol aankwamen, waren we drie uur en zeven minuten later dan oorspronkelijk gepland.

Niet helemaal het slot waarop we hadden gehoopt.
Eenmaal op Schiphol viel de groep snel uit elkaar.
Sommigen gingen naar hun auto, anderen naar de trein en iedereen zocht langzaam zijn eigen weg naar huis.

Van de grote groep waarmee we het weekend waren begonnen, zag ik uiteindelijk nog maar een paar collega’s.
Voor mij volgde de trein vanaf Schiphol naar Rotterdam en vandaar verder naar Breda.
En daar stond uiteindelijk mijn schatje Angela op mij te wachten.
Naar huis.

Dit was pas de kennismaking

Een paar dagen Schotland.
Eigenlijk veel te kort.
Toch had het weekend iets met me gedaan.

Natuurlijk was er de Royal Edinburgh Military Tattoo, iets wat ik al heel lang een keer wilde meemaken. Maar er was ook Edinburgh zelf, de wandeling met Jesse, Scone Palace, Ajax bij de voordeur, Falkland en Outlander, Lindores en de whisky, de gesprekken met collega’s en zelfs die tegenvallende kustplaats.

En tussendoor waren er steeds die kleine momenten waarop mijn gedachten afdwaalden.

Naar vroeger.
Naar mijn moeder.
Naar Angela en David.
Naar huis.

Ik merkte vooral dat dit korte bezoek een soort band met Schotland heeft gecreëerd.
Ik wil terug.
Maar de volgende keer wil ik mijn schatjes Angela en David meenemen.
Ze laten zien wat ik heb gezien, nieuwe plekken ontdekken en als het even kan samen nog een keer naar die geweldige Military Tattoo.
Dit weekend was daarom voor mij geen afsluiting van Schotland.
Het was eigenlijk pas een kennismaking.

Een opening naar een volgend bezoek...