Mijn jeugd – deel 6
Dit is een serie waarin ik schrijf over mijn jeugd, zoals ik die zelf heb beleefd. Alles wat ik hier vertel komt uit mijn herinneringen. Soms scherp, soms vervaagd, maar altijd echt. Het zijn verhalen die mij hebben gevormd. In het goede en in het kwade.
Deze serie is ontstaan omdat ik mijn herinneringen een plaats wil geven. Door ze op te schrijven zie ik opnieuw hoe mijn jeugd eruitzag, hoe ik die toen beleefde en welke momenten mij hebben gemaakt tot wie ik nu ben. Het zijn geen historische reconstructies en geen pogingen om gelijk te halen. Het zijn simpelweg mijn herinneringen, verteld door mijn eigen ogen.
Sommige gebeurtenissen zijn klein, bijna alledaags. Andere hebben diepe sporen nagelaten. Samen vormen ze het verhaal van een jeugd waarin warmte en veiligheid soms dichtbij waren, maar ook momenten van onzekerheid en strijd een rol speelden.
Dit is mijn verhaal.
Er waren zondagen die al vroeg begonnen. Niet met haast, maar met een soort vanzelfsprekendheid. Tassen die werden ingepakt. Ballen die werden gecontroleerd. Schoenen die klaarstonden. Mijn ouders speelden in die jaren in de nationale competities, de National Leagues. En dat betekende dat we op zondag ergens in Nederland moesten zijn.
Waar precies, dat maakte eigenlijk niet uit. Groningen, Den Helder, Maastricht, Sas van Gent. Het waren eerst alleen namen. Tot je er kwam.
Voor mijn ouders was het een wedstrijddag. Voor mij en mijn zus was het iets anders. Het was een dag waarop de wereld groter werd.
Van negen uur ’s ochtends tot in de middag waren zij bezig op de banen. Voor ons begon het wachten. Maar dat wachten voelde nooit als wachten. Het voelde als ruimte. We zwierven door de bowling, keken naar wedstrijden, hingen rond bij de balretour en speelden met andere kinderen. En steeds vaker gingen we naar buiten. Eerst rondom de bowling. Daarna een stukje verder. Totdat de omgeving onderdeel werd van de dag.
In Deventer staken we met de pont over. Gewoon omdat het kon. Omdat hij daar lag en het water bewoog. Aan de overkant was het even anders, zonder dat het echt ver weg was. In Hilversum liepen we langs oude huizen met tuinen die leken alsof ze er al jaren lagen. In Arnhem gingen we naar Burgers’ Zoo en liepen we tussen dieren alsof we even uit de dag stapten. In Heerlen lieten we takjes als bootjes de beek afdrijven achter de bowling. In Den Bosch zaten we langs het water en keken we naar de overkant, zonder dat er iets hoefde te gebeuren. En in Scheveningen, als het warm was, gingen we naar het strand en keek je uit over een horizon die nergens ophield.
Het waren geen grote momenten. Maar ze bleven.
Langzaam begon ik te begrijpen hoe alles met elkaar verbonden was. Niet alleen de namen van steden, maar ook de wegen ernaartoe. Welke richting je op ging. Waar je moest afslaan. Voor mij werd Nederland geen kaart met punten, maar een geheel van routes. Ik wist niet alleen waar iets lag, maar ook hoe je er kwam.
En toch zat er in die dagen nog iets anders.
Ik stond vaak alleen mijn moeder aan te moedigen. Dat was vooral bij toernooien waar wij samen naartoe gingen. Heiloo, Amsterdam, Eindhoven, Den Bosch, Breda, Emmen. Zalen vol mensen die hun eigen favorieten hadden. En daar stond ik. Voor haar.
Bij kampioenschappen waren we er soms met zijn drieën. Dan voelde het anders. Meer als een geheel. Maar die andere dagen, die momenten dat ik daar alleen stond, die zijn me altijd bijgebleven. Omdat je dan merkt wat het betekent om ergens echt voor te kiezen. Ook als je de enige bent.
Er was een dag in Haarlem die ik nooit vergeten ben. Of eigenlijk net buiten Haarlem, bij de bowling in Haarlemmerliede. Ik zat in de auto. De radio aan. Johan Cruijff maakte die dag zijn rentree tegen Haarlem. Ik hoorde het via de radio. De stem van de commentator die steeds sneller ging praten. Het moment dat de bal in het net ging. Ik zat daar alleen in de auto en juichte alsof ik in het stadion zat.
Binnen speelde mijn moeder haar wedstrijden. Ze won met het team van Amsterdam Knijn het stedenkampioenschap. Twee werelden op één dag. Buiten zat ik met mijn eigen wedstrijd, via de radio. Binnen speelde zij haar finale.
Misschien begon daar iets wat ik toen nog niet zo kon benoemen.
Dat ik naast de wereld van de bowling ook een wereld voor mezelf had.
Voetbal.
AJAX.
De radio.
De wedstrijden die ik later in mijn eentje zou bezoeken.
Maar dat verhaal komt nog.
Die zondagen waren meer dan alleen wedstrijden. Ze waren beweging. Ruimte. Een wereld die groter werd dan de straat waar ik woonde. Buiten was er lucht. Buiten kon je gaan. Buiten kon je even loskomen van wat er thuis speelde.
En ergens tussen die ritten, die bowlingcentra en die momenten, begon ik langzaam mijn eigen weg te vinden.
Zonder dat ik dat toen al doorhad.
