Mijn jeugd, deel 3
De wereld van vier straten
Dit is een serie waarin ik schrijf over mijn jeugd, zoals ik die zelf heb beleefd. Alles wat ik hier vertel komt uit mijn herinneringen. Soms scherp, soms vervaagd, maar altijd echt. Het zijn verhalen die mij hebben gevormd. In het goede en in het kwade.
Deze serie is ontstaan omdat ik mijn herinneringen een plaats wil geven. Door ze op te schrijven zie ik opnieuw hoe mijn jeugd eruitzag, hoe ik die toen beleefde en welke momenten mij hebben gemaakt tot wie ik nu ben. Het zijn geen historische reconstructies en geen pogingen om gelijk te halen. Het zijn simpelweg mijn herinneringen, verteld door mijn eigen ogen.
Sommige gebeurtenissen zijn klein, bijna alledaags. Andere hebben diepe sporen nagelaten. Samen vormen ze het verhaal van een jeugd waarin warmte en veiligheid soms dichtbij waren, maar ook momenten van onzekerheid en strijd een rol speelden.
Dit is mijn verhaal.
In 1973 verhuisden we van Nijmegen naar Grave.
Voor een kind lijkt een verhuizing misschien maar een kleine stap op de kaart, maar voor mij voelde het alsof de wereld ineens anders werd. Nijmegen was stad. Grave voelde kleiner, opener, rustiger.
Ons nieuwe huis stond aan de Van der Plaatstraat 22.
De wijk was nog nieuw. Eigenlijk was hij nog niet eens af. De huizen stonden er net. De tuinen waren kaal. Overal lag nog zand. Het was een buurt die nog moest groeien. Dat had ook iets moois. Voor kinderen betekende het ruimte.
Onze wereld bestond uit vier straten. De Van der Plaatstraat waar wij woonden. De Haenstraat die er dwars op stond. De Estersveldlaan die parallel liep aan onze straat. En de Coeberghlaan. Dat was ons terrein. Daar speelden we. Daar maakten we ruzie. Daar leerden we hoe de wereld werkte.
Naast ons, op nummer 24, woonde de familie Dokter. Ben Dokter was buschauffeur bij een touringcarbedrijf ergens in Zeeland. Zijn vrouw Ank kende ik vooral als mijn zwemlerares. Hun dochters Margriet, Astrid en Wendy waren een stukje jonger dan wij, maar Margriet zat ongeveer in onze leeftijd. Met haar speelden we veel.
Onze vaders stonden vaak samen in de garage te sleutelen aan hun auto’s. In die tijd deden vaders dat nog zelf. Motorkappen open, handen zwart van het vet, praten over dingen waar kinderen zich niet mee bemoeiden. Maar op een dag veranderde er iets. Margriet was onderweg naar huis vanuit school in Escharen. De terugweg werd haar fataal. Ze werd aangereden door een auto en overleed later in het ziekenhuis.
Ik weet niet meer precies wanneer ik dat hoorde. Ik weet wel dat daarna niets meer hetzelfde was. Het huis naast ons werd stil. Niet lang daarna verhuisde de familie Dokter naar het Rode Dorp, aan de andere kant van de grote weg van Grave naar Oss. Soms blijven huizen staan, maar verdwijnen de mensen die er woonden.
Aan de andere kant van onze wereld, op nummer 11 in onze straat, woonde de familie Mulder. Met hen trokken we veel op. Rita Mulder en mijn moeder werkten samen. Ik weet niet meer precies waar, maar ik weet nog dat we hen soms laat op de avond moesten ophalen als ze klaar waren met werken. Iets met poetsdoeken, geloof ik. De familie Mulder was een druk gezin.
Jimmy was een jaar ouder dan ik en leerde mij dingen die je als jongen eigenlijk vanzelf leert. Zoals fikkie stoken. Een keer deden we dat zelfs in onze kast op zolder. Dat leek ons een goed idee, tot Jimmy zijn wenkbrauw verschroeide en wij snel moesten stoppen.
Hun vader was een beetje een indrukwekkende man. Hij was zendamateur. Illegaal volgens mij. In de tuin stond een enorme antenne. Hij verzamelde kaartjes van andere zendamateurs uit binnen- en buitenland. Voor mij was dat een soort magie. Stemmen uit andere landen die via draden en antennes bij iemand in de woonkamer binnenkwamen.
Bij de familie Mulder aten we in de eerste jaren ook vaak tussen de middag een boterham. Hun oudste dochter Henriette paste soms op ons. Een andere dochter, Agnes, zat bij mij in de klas. Zij werd veel gepest omdat ze stevig was. Wij liepen in de eerste en tweede klas vaak hand in hand naar de gymles of naar andere plekken waar de klas heen ging.
In die tijd was ik ook voor het eerst verliefd. Rosalien Stuurman. Ik zat in de eerste klas van de lagere school en was er heilig van overtuigd dat zij het mooiste meisje van de klas was. Toen ik zeven werd, nodigde ik haar uit op mijn verjaardag. Samen met andere klasgenoten natuurlijk. Maar toch vooral voor haar.
Onze wereld speelde zich vooral buiten af. Met jongens uit de buurt kroop ik door weilanden, bouwde hutten in bomen en soms zelfs onder de grond. Materialen haalden we van bouwplaatsen. Planken, stukken plastic, alles wat bruikbaar leek. Daar leerden we ook praktische dingen. Zoals hoe je een vuurtje moest maken zonder dat je stikte in de rook. Met een schoorsteentje. En een luchtinlaat aan de andere kant.
In de zomer speelden we urenlang buiten. Buskruit. Verstoppertje. Voetbal. En natuurlijk stoepranden. Het grasveldje bij de kruising van onze straten was ons voetbalveld. Daar gebeurde ook een van die kleine drama’s die voor een kind groot kunnen zijn. Ik had een nieuwe bal. Een mooie zwart-witte leren voetbal. Tijdens het spelen schoot Erik Ariëns de bal te hard. De bal rolde de weg op. Precies op het moment dat de bus naar Boxmeer langskwam. De bus reed er dwars overheen. De bal was plat. Ik was ontroostbaar. Maar de moeder van Roland Ariëns zei dat het mijn eigen schuld was. Dat we beter hadden moeten opletten. Als kind voelt dat soort rechtvaardigheid soms heel oneerlijk.
Niet alles in de wijk was vrolijk. Ik kon driftig zijn. Als iets niet eerlijk voelde of als ik het idee had dat ik buitengesloten werd. Met Ronald Arntz had ik regelmatig ruzie. Soms eindigde dat in vechten. Met plastic buizen.
En in de Haenstraat woonde een meisje dat mij voortdurend pestte. Ze trok aan mijn haren en daagde me uit. Ik kwam huilend thuis. Mijn moeder zei uiteindelijk iets wat ik nooit vergeten ben. Als een meisje jou slaat, mag jij gewoon terugslaan. De volgende keer dat het gebeurde, sloeg ik terug. Het resultaat was een blauw oog en een bloedneus. Toen zij en haar moeder verhaal kwamen halen bij ons thuis, werden ze door mijn moeder uitgelachen. Zo leerde ik dat rechtvaardigheid soms ook betekent dat je voor jezelf moet opkomen.
Als ik nu terugdenk aan die jaren in Grave, zie ik vooral een wereld van vier straten.
Een kleine wereld.
Maar voor een jongen groot genoeg om vriendschappen te sluiten, ruzies te maken, verliefd te worden en te ontdekken dat niet alles in het leven eerlijk verloopt. En ergens in die vier straten begon ik langzaam te begrijpen hoe de wereld werkelijk in elkaar zat.
