Waarom ik achter Israël blijf staan!

Er zijn discussies waar je je liever buiten houdt, maar soms wordt de stilte een vorm van medeplichtigheid. De kwestie Israël is daar voor mij het treffendste voorbeeld van. Ik zie mensen met grote stelligheid dingen roepen, zonder enige kennis van de geschiedenis, zonder moeite te doen om verder te kijken dan de laatste kop op social media. Dan wordt ‘Free Palestine’ een holle kreet, en ‘Israël is de bezetter’ een soort morele badge voor wie verder niks wil weten.

Maar de geschiedenis begint niet in 1948. Die begint duizenden jaren eerder. Het land dat nu Israël heet, was de thuisbasis van de Joodse koninkrijken Juda en Israël. De eerste tempel stond in Jeruzalem. De Babylonische ballingschap, de herbouw onder Perzisch gezag, de hellenistische overheersing en de Romeinen die uiteindelijk de tempel opnieuw verwoestten — het zijn geen mythes. Het is geschiedenis. En toen keizer Hadrianus het land hernoemde tot “Palaestina”, was dat een poging om het Joodse karakter van het gebied uit te wissen. Maar dat is nooit gelukt. Onder Byzantijnen, Arabische kalifaten, Kruisvaarders, Mamelukken, Ottomanen en Britten bleef er altijd een Joodse aanwezigheid.

De berg Massada, waar de Joden zich even staande konden houden tijdens het beleg door de Romeinen, maar uiteindelijk het onderspit moesten delven.

In 1948, na de Holocaust, werd Israël uitgeroepen tot staat. En meteen vielen vijf Arabische buurlanden aan. Dat was geen conflict over details. Dat was een poging om het land direct te vernietigen. Maar Israël overleefde. Net zoals het dat deed in 1956, in 1967 tijdens de Zesdaagse Oorlog, in 1973 tijdens Yom Kipoer. In Libanon. In Gaza. Elke keer opnieuw. Israël verdedigt zichzelf niet uit luxe, maar uit noodzaak.k.

Golda Meir: “Als de Arabieren vandaag hun wapens neerleggen, is er morgen vrede. Als Israël zijn wapens neerlegt, is er morgen geen Israël meer.”

Neem Gaza. In 2005 trok Israël zich volledig terug. Alle Joodse nederzettingen werden ontruimd. De doden zelfs herbegraven in Israël. De kassen, de infrastructuur, de landbouwgrond — alles werd achtergelaten. Wat gebeurde ermee? Vernietigd. Door de mensen die nu slachtoffer heten. En wie greep de macht? Hamas. Die bouwde geen scholen, maar tunnels. Geen ziekenhuizen, maar bunkers. Onder woonwijken. Onder crèches.

En toen kwam 7 oktober. De gruwel van die dag — de moorden, de verkrachtingen, de gijzelingen — lijkt alweer vergeten. Alsof Israël die dag is begonnen. Alsof de reactie geen reactie was, maar een daad van agressie. Alsof zelfverdediging verboden is wanneer je Joods bent.

Ik betreur iedere dode. Aan beide kanten. Maar oorlog kent zelden schone handen. En wie denkt dat Israël een uitzonderlijk brute aanpak hanteert, vergeet wat oorlog werkelijk inhoudt. Denk aan wat de geallieerden deden in de Tweede Wereldoorlog — niet uit wreedheid, maar omdat ze wisten: soms is geweld de enige manier om een regime tot overgave te dwingen.

Dresden is vaak genoemd: tussen 22.000 en 25.000 doden vielen daar in februari 1945, toen Britse en Amerikaanse bommenwerpers de stad platlegden om het moreel van Nazi-Duitsland te breken. Maar Dresden was niet de enige. In Hamburg kwamen in 1943 zo’n 37.000 burgers om bij Operatie Gomorrah, een vuurstorm die hele wijken verwoestte. Keulen werd meer dan 260 keer gebombardeerd. En dan is er Tokio, waar op één nacht in maart 1945 bijna 100.000 mensen stierven door Amerikaanse brandbommen — méér dan bij de atoombom op Hiroshima. Deze aanvallen waren niet gericht op militaire doelen, maar op het breken van wilskracht, infrastructuur en logistiek.

Die context doet ertoe. Niet om geweld goed te praten, maar om de selectieve verontwaardiging te ontkrachten. Want waar waren de VN-resoluties, de massale protesten en morele veroordelingen toen? Oorlog is vuil. Altijd. Maar wie Israël van ‘genocide’ beschuldigt omdat het in Gaza Hamas-doelen aanvalt die zich bewust verschansen onder burgers, toont óf onwetendheid óf hypocrisie.

En dan zie ik wat er hier in Nederland gebeurt. Het Anne Frank-beeld beklad. Het Holocaustmuseum ontheiligd door protest. Joodse voetbalsupporters worden op straat belaagd. En de massa zwijgt. Of erger: keurt het stilzwijgend goed. Want het is ‘voor de goede zaak’. Echt? Is dit het moreel kompas van de progressieve Nederlander?

Wat mij nog het meest verbaast, is de selectieve verontwaardiging. Tienduizenden op de Dam voor Palestina. Maar waar zijn de protesten voor de vrouwen in Iran? Voor de hongersnood in Somalië? Voor de slachtoffers in Syrië, in Jemen, in Darfur? Die zijn er nauwelijks. Want dat verkoopt niet. Daar kun je geen simpele slogan op plakken. En Israël? Israël is de perfecte zondebok. De perfecte vijand. Omdat het zich verdedigt. Omdat het modern is. Omdat het Joods is.

Dat gebrek aan historisch besef zien we ook bij mensen van wie je beter zou verwachten. Neem het recente voorval met Douwe Bob. Hij weigerde op te treden bij een voetbalfeest in Amsterdam omdat hij naar eigen zeggen “niet wil zingen voor zionisten”. Alsof zionisme een partijprogramma is. Alsof het een politiek label is dat je zomaar kunt wegduwen. Wat zegt dat over het kennisniveau van mensen die zó lichtzinnig oordelen over iets dat zo diep geworteld is in Joodse identiteit?

Zionisme is niets anders dan het streven naar een veilig thuisland voor het Joodse volk. Dat is het. Geen koloniale fantasie. Geen bezettingsplan. Maar het recht om te bestaan in een wereld die eeuwenlang alles heeft gedaan om Joden van de kaart te vegen. Dat iemand als Douwe Bob denkt dat hij ‘een standpunt’ inneemt, toont pijnlijk hoe diep de moderne, gemakzuchtige propaganda van links Nederland is doorgedrongen. Slogans boven geschiedenis. Ophef boven inzicht.

De realiteit is: Israël leeft tussen buren die haar bestaan betwisten. Hamas in Gaza. Hezbollah in Libanon. Islamitische Jihad. Iran dat openlijk oproept tot vernietiging. Houthi’s die raketten via de Rode Zee afvuren. Syrië, Irak, Jordanië en Egypte die ooit allemaal meededen aan oorlogen tegen Israël. En zelfs vandaag, ondanks vredesverdragen, blijft de haat in vele harten branden.

Ik voel me verwant met Israël. Niet alleen omdat mijn naam dat zegt, maar omdat ik weet wat het is om jezelf steeds te moeten verantwoorden. Omdat ik zie dat geschiedenis meer is dan het laatste journaal. Omdat ik geloof dat je beter kunt staan voor een ingewikkelde waarheid dan zwijgen bij een gemakzuchtige leugen.

Wie roept zonder te weten, wie papegaait zonder te lezen, is medeplichtig aan het vervormen van de werkelijkheid. En wie zwijgt bij antisemitisme, maar schreeuwt bij elke Israëlische actie, moet zich eens afvragen wat dat zegt over zijn principes.

Ik sta achter Israël. Niet omdat ze alles goed doen. Maar omdat ze bestaan. Omdat ze moeten bestaan. Omdat niemand anders het voor ze doet.