De weg tussen moeten en kiezen (8)

Mijn jeugd – deel 8

Dit is een serie waarin ik schrijf over mijn jeugd, zoals ik die zelf heb beleefd. Alles wat ik hier vertel komt uit mijn herinneringen. Soms scherp, soms vervaagd, maar altijd echt. Het zijn verhalen die mij hebben gevormd. In het goede en in het kwade.

Deze serie is ontstaan omdat ik mijn herinneringen een plaats wil geven. Door ze op te schrijven zie ik opnieuw hoe mijn jeugd eruitzag, hoe ik die toen beleefde en welke momenten mij hebben gemaakt tot wie ik nu ben. Het zijn geen historische reconstructies en geen pogingen om gelijk te halen. Het zijn simpelweg mijn herinneringen, verteld door mijn eigen ogen.

Sommige gebeurtenissen zijn klein, bijna alledaags. Andere hebben diepe sporen nagelaten. Samen vormen ze het verhaal van een jeugd waarin warmte en veiligheid soms dichtbij waren, maar ook momenten van onzekerheid en strijd een rol speelden.

Dit is mijn verhaal.

Na De Sprankel kwam de middelbare school.
Een nieuw hoofdstuk.
Maar niet één dat begon met vrijheid.


De eerste klas ging ik naar een school waar ik helemaal niet heen wilde. Het Dominicus College in Nijmegen. De keuze was niet van mij, maar van mijn vader. Het betekende een grote overgang. Van de kleine wereld van Grave naar een grote school in de stad. Elke dag fietsen vanuit Grave, de Maas over, tussen Balgoij en Nederasselt door, langs Alverna en Dukenburg, richting Neerbosch-Oost. Een lange route. Vaak alleen.

Aan mijn stuur hing een klein blauw transistorradiootje. Daarmee luisterde ik onderweg naar Hilversum. Het ontvangst was wisselend en met een ijzeren kleerhanger probeerde ik het signaal te verbeteren. Het zag er vreemd uit, maar het werkte. De stemmen uit de radio maakten de lange weg minder stil.

Op het Dominicus voelde ik mij nooit thuis. De dagen waren lang. Huiswerkklas tot laat in de middag. Rijen tafels. Stilte. Kijken naar de klok. Ik zocht manieren om er niet te hoeven zijn. Briefjes, excuses, spijbelen. Niet uit bravoure, maar omdat ik daar niet wilde zijn.

Het enige wat mij daar aantrok was een ruimte met boeken. Asterix en Obelix. De Encyclopedia Britannica. Pagina’s die je kon omslaan en dieper het menselijk lichaam in kon kijken. Daar kon ik verdwijnen.


Na dat jaar veranderde alles. Ik ging naar de scholengemeenschap in Wijchen. Dichterbij. Nog steeds fietsen, maar anders. De route hing af van waar ik moest zijn. Naar de Balgoijseweg reed ik al bij de Woordsestraat tussen de weilanden door. Kronkels langs sloten en akkers. Naar de Oosterweg of de Lijsterbesstraat fietste ik via de Huurlingsedam langs boerenbedrijven. Drie locaties, drie werelden.

De Balgoijseweg voelde als buitengebied. Een lange rij lokalen, een zolder aan het einde en een groot veld ernaast. In het najaar werden appels gepikt. In de winter veranderde het veld in een sneeuwslagveld. Daar kregen we Kennis der Natuur. Experimenten met prisma’s, foto’s ontwikkelen, koeienogen opensnijden en de Maagdenburger halve bollen. Leren door te doen.

Op de Lijsterbesstraat kregen we talen. Vlak bij Schele Mien, waar we snoep haalden en rondhingen. Het hoofdgebouw aan de Oosterweg was weer anders. Daar gebeurde ook iets dat mij is bijgebleven. Samen met een klasgenoot hielp ik een man uit een put trekken. Hij overleed kort daarna. Een paar dagen later zag ik vanuit de bovenste verdieping tijdens een les de begrafenisstoet voorbijtrekken. Somber weer. Een vreemde gewaarwording.

Ik hoorde niet bij de populaire groep. Ik zat bij een klein clubje buitenbeentjes. We tafeltennisten, fietsten naar het centrum of haalden iets bij Schele Mien. Er was een groep meiden die rondzwierf. Soms werd ik aan de arm meegenomen. Ik voelde mij daar ongemakkelijk bij. Aantrekkingskracht speelde nog geen rol. Ik keek vooral van een afstand.

Sport speelde een grote rol. Voetbal, honkbal, basketbal, volleybal. Ik was nooit de topper, maar zat wel altijd in het team. En dan die ene keer dat we gingen bowlen in Alverna. Mijn tas stond daar al klaar. Voor het eerst kon ik met mijn eigen materiaal spelen. Daar liet ik zien wat ik kon.

In de derde klas werd alles losser. Geen vaste klas meer. Van lokaal naar lokaal. Groepjes die elkaar in tussenuren vonden. Scheikunde ging goed. Het leren kostte mij weinig moeite. In de vierde klas veranderde dat. Niet de cijfers, maar de motivatie. Ik begon te spijbelen. Eerst af en toe. Later maanden. Ik werd inventief. Als mijn moeder mij afzette, liep ik de bossen in en nam de bus terug naar Grave. Thuis maakte ik de draden van de telefoon los zodat niemand wist dat ik niet op school was.

Tot het gesprek met Houtappels. Proefexamens. Alles voldoende. Daarna gewoon examen doen. De cijfers waren goed. Een negen voor scheikunde. Nederlands bluffend gehaald. Engels sterk. Mijn moeder trots. Mijn vader die vooral de zes zag.


Met die cijfers leek het Middelbaar Laboratorium Onderwijs in Breda een logische stap. Ik begon daar als onderdeel van het IHBO West-Brabant. We zaten vaak op de HTS voor gym en de soos. Via studentenvereniging Virgo waren er filmvoorstellingen. Met een klein groepje, onder andere met Brechte Janssen uit Oosterhout en een paar Tilburgse jongens, gingen we daar naartoe. Daarna vaak nog naar McDonald’s. De week afsluiten. Praten. Rondhangen.

Ik paste daar niet. De lablessen voelden niet goed. De sfeer niet. Ondanks dat ik door mocht naar de tweede klas stopte ik. In die periode was ik verliefd op Annemarie Hoevenaar. Een bioscoop, een kus in het Valkenberg en carnaval in Lage Zwaluwe. Maar ook dat werd niets.


In 1985 ging ik van school en werd ik gekeurd voor dienst.
Het begin van het einde van mijn jeugd.

De weg tussen moeten en kiezen lag achter mij.
Voor het eerst begon ik mijn eigen richting te bepalen.