De stem van de radio (7)

Mijn jeugd – deel 7

Dit is een serie waarin ik schrijf over mijn jeugd, zoals ik die zelf heb beleefd. Alles wat ik hier vertel komt uit mijn herinneringen. Soms scherp, soms vervaagd, maar altijd echt. Het zijn verhalen die mij hebben gevormd. In het goede en in het kwade.

Deze serie is ontstaan omdat ik mijn herinneringen een plaats wil geven. Door ze op te schrijven zie ik opnieuw hoe mijn jeugd eruitzag, hoe ik die toen beleefde en welke momenten mij hebben gemaakt tot wie ik nu ben. Het zijn geen historische reconstructies en geen pogingen om gelijk te halen. Het zijn simpelweg mijn herinneringen, verteld door mijn eigen ogen.

Sommige gebeurtenissen zijn klein, bijna alledaags. Andere hebben diepe sporen nagelaten. Samen vormen ze het verhaal van een jeugd waarin warmte en veiligheid soms dichtbij waren, maar ook momenten van onzekerheid en strijd een rol speelden.

Dit is mijn verhaal.


Mijn keuze voor AJAX was eigenlijk nooit een keuze.

Mijn ouders waren voor AJAX. En in mijn beleving hoorde dat er gewoon bij. Maar er was één moment dat alles vastzette. Op mijn vijfde verjaardag won AJAX de Europacup 1. Wij hadden als één van de weinigen in de buurt een kleuren-tv en het huis zat vol met mensen die de wedstrijd kwamen kijken.

En alsof dat nog niet genoeg was, namen ze ook cadeaus voor mij mee.
Vanaf dat moment hoorde AJAX bij mijn verjaardag. En bij mijn leven.


In de jaren daarna werd het steeds meer van mij.

Ik begon Panini-plaatjes te sparen. Niet om het boek vol te krijgen, maar om de AJAX-spelers te hebben. Die waren bijzonder. Die wilde je hebben. En in die tijd brak er ook iemand door bij AJAX die voor mij alles samenbracht.

Simon Tahamata.

Een klein Moluks mannetje uit Tiel. Familie van mijn moeder. Maar voor mij was hij groter dan iedereen. Ik zie hem nog spelen. Tegen PSV, onderuit gehaald, meteen weer opstaan en de bal met een boog achter de keeper schieten. Of die bekerfinale tegen FC Twente, waar hij in zijn witte jas de cup omhoog hield.

Op straat was ik hem.
Of Cruijff.
Of Piet Schrijvers.
Schrijvers in zijn zwart-gele Adidas trui, vliegend door de lucht, nergens bang voor. De bal was van hem en daar moest alles voor wijken.


Op zondagmiddag zat ik vaak klaar met de radio. Hilversum 1. Langs de Lijn. Een vers cassettebandje in de recorder, zodat ik niets zou missen. Elk fragment over AJAX wilde ik vastleggen. Elk doelpunt. Elke samenvatting. Aan het einde had je een bandje vol hoogtepunten. Mijn eigen verzameling van ons aller AJAX.

Dat was mijn wereld.


Op mijn zolderkamer in Grave hing alles vol.

Twee schuine daken, vol posters en sjaals. Mijn eigen plek. Mijn eigen club. In de wijk was je voor NEC of voor PSV, maar ik was Ajacied. Tijdens het voetballen gaf ik mijn eigen commentaar. “Tahamata aan de bal, passeert zijn tegenstander, speelt naar Tscheu La Ling op rechts… die gaat erlangs en geeft terug… Tahamata… en hij zit!”

Ik speelde niet alleen voetbal.
Ik speelde AJAX.


Ik werd lid van de supportersvereniging De Ajacied. Volgens mij zaten ze in Lunteren. Elke zoveel tijd weer een mini magazine met teksten en plaatjes. Als ik geld had, ging het daar naartoe. Voor een sjaal. Voor spelerskaarten. Voor iets wat van AJAX was. Dat ging met enveloppen, formulieren en geduld. Een andere tijd.


De radio bracht me dichtbij.
Maar de stadions brachten me er middenin.
Bij NEC – AJAX stond ik daar. Alleen. Wachten tot de spelers naar buiten kwamen. Aad de Mos kwam als eerste. Hij gaf me een foto met handtekening. Die wilde ik eigenlijk niet. Ik wilde die van Cruijff.

Even later kwam hij. Johan Cruijff. Hij legde zijn hand op mijn hoofd. Het voelde alsof hij mij zegende. “Jochie, wil je echt een handtekening van mij? Je moet die van Marco hebben, want dat wordt een grote.” Ik zei niets. Maar even later stond ik daar met handtekeningen van Cruijff en een jonge Marco van Basten. Met een glimlach die niet meer van mijn gezicht ging.

Dat papiertje hing later aan mijn plafond.
Net als alles wat daar hing.
En alles ben ik kwijtgeraakt toen we in 1984 uit ons huis in Grave werden gezet.


Via Herzel, die een shoarmazaak had in de Vlaamse Gas, met een foto van mijn moeder aan de wand naast een hele grote foto van AJAX, in Nijmegen, kwam ik vaker bij wedstrijden. Hij regelde kaarten, haalde me op van het station en we gingen samen naar de Goffert. Zo kwam ik ook voor het eerst in het Olympisch Stadion. AJAX tegen Nottingham Forest. Ik keek mijn ogen uit. Wat was dat groot. Wat een wereld. We haalden de finale niet. Maar ik was daar wel bij.


In die tijd speelde AJAX in Le Coq Sportif. En Tottenham Hotspur had bijna hetzelfde shirt. Alleen het logo was anders. Ik mocht dat shirt kopen en was er trots op. Totdat ik het zelf probeerde te strijken en het strijkijzer in de stof bleef plakken.

Het shirt was verknald.
Ik was ontroostbaar.
Maar ik bleef het dragen.
Tottenham werd mijn tweede club. Met Glenn Hoddle en Ossie Ardiles.


Bij NAC – AJAX had ik een seizoenkaart voor de B-side.
Maar daar stond ik niet als AJAX kwam.
Ik ging naar vak A, aan de kant van de Beatrixstraat. Daar kon ik juichen voor mijn club. Alleen, als het moest. Dat maakte niet uit.
Ik wist waar ik hoorde.


Als ik nu terugkijk, zie ik dat voetbal voor mij meer was dan een spel.
Het was iets van mij.
Iets wat niet afhankelijk was van thuis.
Iets waar ik zelf voor koos.


En misschien is dat waarom het altijd is gebleven.
Nog steeds ga ik naar AJAX.
Samen met mijn zoon David.
Al meer dan twintig jaar.

En ergens zit daar nog steeds die jongen.
Met een radio.
Een cassettebandje.
En een stem die zegt:
“En daar is weer een doelpunt voor AJAX…”