Als het thuis stil werd (5)

Mijn jeugd – deel 5

Dit is een serie waarin ik schrijf over mijn jeugd, zoals ik die zelf heb beleefd. Alles wat ik hier vertel komt uit mijn herinneringen. Soms scherp, soms vervaagd, maar altijd echt. Het zijn verhalen die mij hebben gevormd. In het goede en in het kwade.

Deze serie is ontstaan omdat ik mijn herinneringen een plaats wil geven. Door ze op te schrijven zie ik opnieuw hoe mijn jeugd eruitzag, hoe ik die toen beleefde en welke momenten mij hebben gemaakt tot wie ik nu ben. Het zijn geen historische reconstructies en geen pogingen om gelijk te halen. Het zijn simpelweg mijn herinneringen, verteld door mijn eigen ogen.

Sommige gebeurtenissen zijn klein, bijna alledaags. Andere hebben diepe sporen nagelaten. Samen vormen ze het verhaal van een jeugd waarin warmte en veiligheid soms dichtbij waren, maar ook momenten van onzekerheid en strijd een rol speelden.

Dit is mijn verhaal.


Niet alles speelde zich buiten af. Niet alles speelde zich op school af. Er was ook thuis. En thuis was niet altijd een plek waar je vanzelf tot rust kwam.

Mijn vader was iemand die buiten de deur indruk maakte. Altijd goed gekleed, verzorgd, iemand die wist hoe hij moest praten en zich moest presenteren. In verenigingen en in de bowlingwereld was hij iemand die gezien werd. Iemand die het voortouw nam, die organiseerde, die sprak. Maar thuis was hij anders. Daar was minder ruimte. Minder lucht. En soms een spanning die je niet kon uitleggen, maar wel voelde.

Als kind leer je dat sneller dan je denkt. Je leert luisteren zonder dat iemand iets zegt. Naar de voordeur die opengaat. Naar de manier waarop stappen de trap opkomen. Naar hoe een jas wordt opgehangen. Je hoeft iemand niet te zien om te weten hoe de avond zal verlopen. Je voelt het in alles.

Ik lag vaak al in bed als mijn vader thuiskwam. Dan hoopte ik dat ik sliep voordat hij boven kwam. Want als hij boos was, kon dat zomaar op mij terechtkomen. Soms om iets kleins. Soms om iets wat ik zelf niet eens begreep. Een klap met de vlakke hand. Zonder waarschuwing. Gewoon ineens.

En het vreemde is dat je daar als kind niet tegenin gaat. Je probeert het te begrijpen. Je probeert het te voorkomen. Je probeert vooral zo min mogelijk op te vallen.

Er waren ook periodes dat mijn vader er niet was. Dan voelde het huis anders. Rustiger. Alsof er meer lucht was. Maar wanneer hij er wel was, wist je nooit precies wanneer het kon omslaan. Dat maakte dat je altijd een beetje op scherp stond.

Een van de momenten die mij is bijgebleven speelde zich af op een winterdag. Mijn moeder was weg voor een training ergens in het land. Thuis waren mijn zus en ik met mijn vader. Ik had iets kleins gedaan, iets onbenulligs. Mijn zus vertelde het meteen. En mijn vader werd boos. Hij ging tekeer en er volgde weer een klap.

Ik durfde daarna niet meer thuis te blijven. Dus ik ging naar buiten. Niet ver weg, gewoon de wijk in. Naar het kleine bosje bij de Holle Bolle Boom.

Dat bosje was geen groot bos, maar een smalle strook met struiken en daarachter een aangelegd stuk bos. Je kon er van twee kanten in, vanaf de wijk of via het zandpad richting Escharen. Voor ons was het een plek om te spelen. Maar die middag zat ik er om te wachten.

Het was winter en het werd al vroeg donker. Ik zat daar tussen de struiken, alleen. Urenlang. Van een uur of drie in de middag tot ergens rond negen uur in de avond. Een jongen van tien, misschien elf jaar, die niet weg was gelopen om weg te blijven, maar omdat hij niet terug durfde.

Ik wachtte op mijn moeder.

Toen ik uiteindelijk zag dat mijn vader met de auto wegreed, durfde ik naar huis. Binnen was het stil. Mijn moeder was er. Dat was genoeg.

We spraken af dat ik boven zou blijven en dat hij niet naar boven zou komen. Dat soort afspraken maak je niet zomaar. Dat soort afspraken ontstaan alleen wanneer een kind zich ergens niet veilig voelt.

Als ik nu terugkijk, zie ik hoe normaal het toen voor mij was geworden. Hoe ik leerde leven met iets wat eigenlijk niet normaal is. Hoe ik situaties begon te lezen, mij aanpaste en probeerde vooruit te voelen wat er kon gebeuren.

Er waren plekken waar ik mij veilig voelde. Bij mijn moeder. Bij mijn oma. Bij mijn tantes. Bij mijn oom. In de bowling.

En er waren plekken waar ik op mijn hoede was. Mijn eigen huis hoorde daar soms bij.

Misschien is dat wel wat mijn jeugd het beste omschrijft. Niet één wereld, maar twee. En ik leerde al vroeg wanneer ik in welke wereld zat.