De Sprankel, een school met een naam die iets beloofde

Mijn jeugd, deel 4

Dit is een serie waarin ik schrijf over mijn jeugd, zoals ik die zelf heb beleefd. Alles wat ik hier vertel komt uit mijn herinneringen. Soms scherp, soms vervaagd, maar altijd echt. Het zijn verhalen die mij hebben gevormd. In het goede en in het kwade.

Deze serie is ontstaan omdat ik mijn herinneringen een plaats wil geven. Door ze op te schrijven zie ik opnieuw hoe mijn jeugd eruitzag, hoe ik die toen beleefde en welke momenten mij hebben gemaakt tot wie ik nu ben. Het zijn geen historische reconstructies en geen pogingen om gelijk te halen. Het zijn simpelweg mijn herinneringen, verteld door mijn eigen ogen.

Sommige gebeurtenissen zijn klein, bijna alledaags. Andere hebben diepe sporen nagelaten. Samen vormen ze het verhaal van een jeugd waarin warmte en veiligheid soms dichtbij waren, maar ook momenten van onzekerheid en strijd een rol speelden.

Dit is mijn verhaal.


Toen wij naar Grave verhuisden, veranderde er niet alleen een huis en een straat. Er kwam ook een nieuwe school. De school heette De Sprankel. Een naam die vrolijk klinkt. Een naam die iets belooft. Maar voor mij voelde school zelden als een plek waar iets sprankelde.

Mijn eerste klas kreeg ik les van juffrouw Drijssen. Zij was Moluks of Indisch. In een verder vrij witte school voelde dat voor mij meteen vertrouwd. Er zat iets zachts in haar manier van doen.

Ze was geduldig. Rustig. Vriendelijk. Bij haar leerde ik lezen, schrijven en kleuren. Niet meer krassen op papier, maar echt kleuren. Kleine stappen misschien, maar voor een kind zijn dat grote dingen. Een herinnering aan haar staat nog helder in mijn hoofd. Ze ging trouwen en wij mochten als klas naar haar receptie. Wat mij vooral bijbleef was de sfeer. De zaal stond vol met Indische en Molukse mensen. Het voelde warm. Bekend. Alsof ik even op een familiefeest stond. Alsof ik ergens was waar ik hoorde.

In de tweede klas kreeg ik juffrouw Kersten. Daar veranderde de sfeer. Waarom het precies niet klikte weet ik nog steeds niet. Soms zijn dat dingen die je als kind voelt zonder ze te kunnen uitleggen. Maar ik was bang voor haar. Echt bang. Mijn ouders hebben nog geprobeerd om mij naar een andere klas te laten gaan. Dat lukte niet. Dus bleef ik waar ik zat.

In die tijd had ik ook een grote angst voor zwemmen. Door de verhalen van mijn oma Bats waren diepe wateren in mijn hoofd gevaarlijke plekken geworden. In die verhalen ging het altijd over wat er mis kon gaan in water. Dus probeerde ik onder de zwemlessen uit te komen.

Misselijk.
Buikpijn.
Alles wat maar werkte.
Een keer dacht ik zelfs slim te zijn door een sigaret te eten, omdat ik zogenaamd dacht dat het een chocoladesigaret was. Dat was geen succes.

Uiteindelijk was het buurvrouw Ank Dokter die mij erdoorheen hielp. Zij ging gewoon mee naar het zwembad tijdens de lessen. Dankzij haar haalde ik mijn zwemdiploma A. Ironisch genoeg zwem ik tegenwoordig graag. In een zwembad kan ik uren onder water blijven. Maar in open water blijft er altijd iets van die oude angst zitten. Als ik de bodem niet meer kan zien.

In de derde klas verhuisde de school tijdelijk naar een dependance aan de Estersveldlaan, naast de begraafplaats. Schuin tegenover het huis van Marc van Dijk. Bij Marc speelde ik vaak. Achter hun huis lag een vijver met een metalen roeibootje. Daar voeren we mee rond. Maar er zwommen ook zwanen. En ik had ooit gehoord dat een zwaan de oudere broer van Marc knock-out had geslagen met een klap van zijn vleugel. Of dat waar was weet ik niet. Maar voor mij was het genoeg om zwanen serieus te nemen.

Niet ver daarvandaan lagen grote zandbergen bij de kruising van de Estersveldlaan en de Dr. Kanterslaan. Daar speelden we vaak.

In die jaren ontdekte ik ook iets anders. Je kon soms gewoon niet naar school gaan. Als mijn ouders al naar hun werk waren, bleef ik soms boven zitten. Verstoppen. Wachten tot iedereen weer uit school kwam. Het leek een slimme oplossing.

Maar school had ook een andere kant. Een hardere kant.

In die jaren vonden in het noorden van Nederland de Molukse kapingen plaats. Treinen. Scholen. Gijzelingen. Het nieuws stond er vol van.

Voor volwassenen was het politiek.
Voor kinderen werd het iets anders.
Het kwam het klaslokaal binnen.

Ik was een jongen met Molukse wortels in een verder vrij witte school. En ineens werd dat iets waar anderen iets van vonden. Sommige ouders verboden hun kinderen zelfs om met mij te spelen. Alsof ik iets te maken had met wat er honderden kilometers verderop gebeurde.

De kleine wereld van Grave kon hard zijn.

Op het schoolplein werden woorden gebruikt die kinderen van hun ouders hadden gehoord. Woorden die ik toen nog niet eens helemaal begreep, maar waarvan ik wel voelde dat ze tegen mij gericht waren. Alsof ik ergens voor stond waar ik nooit voor had gekozen.

In die jaren kon ik ook driftig zijn. Als iets onrechtvaardig voelde. Als ik mij buitengesloten voelde.

En dan zat ik wel eens in de ruimte van de conciërge. Een klein kamertje tegenover het kantoor van het hoofd van de school, meneer Geurts. Dicht bij de hoofdingang, in de hoek waar de ene vleugel van de school overging in de andere.Voor de meeste leerlingen was het gewoon een ruimte waar je langs liep. Voor mij werd het soms een plek om even tot rust te komen.

Als ik weer eens gepest was.
Of als ik driftig was geworden.
Of als ik tijdens het spelen weer eens een gat in mijn knie had gevallen.

Dan zat ik daar.
Even uitblazen.
Even wachten tot de storm in mijn hoofd weer ging liggen.

Niet alles op school was zwaar. We hadden ook zangles van mevrouw Van Velzen. In die lessen zat iets lichts. Iets vrolijks. Er werd gezongen. Op een dag organiseerde zij een zangwedstrijd in de klas. Tot mijn eigen verbazing won ik. Als prijs mocht ik een engeltje uit de kerstboom halen.

Het was maar een klein moment.
Maar het voelde als erkenning.
Alsof ik ergens toch iets goed kon doen.

In de vijfde klas kregen we meneer Jans, die in een Citroën 2CV, een eendje, reed.

Een van de hoogtepunten van die jaren was het schoolkamp. We gingen naar De Refter in Ubbergen. Daar wandelden we door het landschap, deden opdrachten en gingen in het donker op speurtocht. We probeerden elkaar te laten schrikken bij een soort verstoppertje. Voor een paar dagen voelde school anders.

In datzelfde jaar deden we ook verkeersexamen. Ik wilde dat foutloos doen. Het praktijkexamen ging perfect. Maar bij de theorie maakte ik één fout. Daar kon ik echt ziek van zijn.

In de zesde klas kregen we juffrouw Theunissen. En toen werd mijn hekel aan school pas echt groot.

De school heette De Sprankel.
Maar voor mij zat er weinig sprankel in.

De enige momenten die ik leuk vond waren de periodes dat zij afwezig was en vervangen werd door juffrouw Van Crey, net van de PABO. Als klas maakten we het haar niet makkelijk. Op een dag hing er zelfs een Playboy-poster op het bord. Achteraf schaam je je daar een beetje voor. Maar zo gaat dat soms in een klas vol kinderen.

Toch waren er ook momenten waarop school even iets anders werd.

Zoals toen we een herbarium maakten en met een bioloog naar de bossen bij Gassel gingen. Daar vertelde hij over planten, over het landschap en over de Beerse Overlaat. Over hoe water het land vormde.

Dat soort verhalen bleven hangen.
Net als de herinnering aan een school met een naam die vrolijk klonk.
Maar waar voor mij toch weinig sprankel in zat.